In memoriam Skip Voogd

Op 8 december is muziekjournalist en radioman Skip Voogd overleden, hij was 88 jaar. Kort voor zijn overlijden blikte hij nog terug op zijn lange loopbaan met zijn vriend Cees Mentink. Het zou zijn laatste interview zijn.

Toen bekend werd dat Skip Voogd de NCRV had verlaten en zou gaan genieten van een welverdiend pensioen, werd hij benaderd met de vraag of hij zijn medewerking zou willen verlenen aan een ziekenomroep. Vriendelijk maar gedecideerd antwoordde hij: “Nee, dat moet ik niet doen, ik ben zojuist vertrokken bij een zieke omroep…!”
Vanaf het radioseizoen 1958-1959 presenteerde Skip Voogd met Netty Rosenfeld voor de VARA het radioprogramma Muziek-kiosk, met nieuws en actualiteiten uit de wereld van de lichte muziek. Gijsbert Nieuwland, in 1959 aangesteld als hoofd amusement van de AVRO, was onder de indruk van Skips brede muziekkennis, hij vroeg hem het programma Swing Expres samen te stellen en te presenteren, samen met Roel Balten. Voor dezelfde omroep maakte de in 1933 in Den Haag geboren Voogd een nieuw tienerprogramma, Tussen Tien+ en Twintig -. Daarmee ging hij de concurrentie aan met VARA’s Tijd voor Teenagers van Herman Stok en Co de Kloet, en won hij door zijn relatie met grammofoonplatenmaatschappijen glansrijk de strijd om primeurs van nieuwe singles (Cliff Richard en tal van andere, nieuwe rockgroepen). Niet zo vreemd: Skip was sinds de zomer van 1955 ook redacteur van het tienertijdschrift Tuney Tunes, immens populair door de vele songteksten. In 1965 werd Voogd door Lex Karsemeijer gevraagd bij de NCRV in vaste dienst te komen om de programmering van het dat jaar te starten Hilversum 3 voor de NCRV te verzorgen. Presenteren had niet zijn voorkeur, produceren en samenstellen waren hem op het lijf geschreven. Tot zijn pensionering bleef Skip Voogd verbonden aan de christelijke omroep.

1963; Willem van Kooten (Joost den Draayer, staand links) en Rob Out (staand) te gast bij Jos (zittend links) en Skip in het programma Tussen 10+ en 20-

Redacteur Tuney Tunes

“Als jochie wilde ik schrijver worden”, vertelde hij in zijn met smaak ingerichte flat in het Gooi, die hij deelde met levenspartner Henk Mouwe. “Wanneer kinderen in mijn straat aan het spelen waren, schreef ik krantjes vol en deed die in de brievenbussen in de Johannes Camphuijsstraat, waar ik woonde. Op school bleef mijn liefde voor het schrijven van verhaaltjes niet onopgemerkt. Klasgenoten vroegen mij hun opstellen te maken.”

Auteur is Skip (eigenlijk Jan Cornelis) niet geworden, maar wel journalist, muziekjournalist. Doordat er zich begin jaren ’50 een schreeuwend tekort aan onderwijzers aandiende, bezocht hij de christelijke kweekschool, slaagde en stond onder andere voor de klas van de Prinses Ireneschool in Leiden. Voordeel van deze dienstbetrekking: hij werd vrijgesteld van de militaire dienstplicht. In die tijd wist Skip al “alles” van en over het jazzy dansorkest The Ramblers en de soft swing van The Millers. Hij schreef brieven aan orkestleider Theo Uden Masman en aan gitarist Ab de Molenaar, die een voor de hand liggende Engelse naam voor zijn combo had gekozen.

Al snel leverde Voogd bijdragen aan Tuney Tunes. “Dat deed ik tussen de middag”, zegt hij, “wanneer de kinderen aan het spelen of thuis aan het eten waren.” De in Eindhoven gevestigde uitgever van Tuney Tunes, Jan van Haaren, die elke maand wel een brief met kritiek op de inhoud van Skip ontving, nodigde hem uit eens kennis te komen maken. Het gesprek in de stationsrestauratie mondde uit in het verzoek om hoofdredacteur van Tuney Tunes te worden en samen met Anton Kop van het jazzmaandblad Rhythme. Paul Acket, die onder meer tot dan toe die functie had vervuld, was na een aanvaring met de historische woorden: “Reken er maar op dat ik terugkom, maar dan om Tuney Tunes over te nemen”, abrupt vertrokken. Skip, al enigszins gepokt en gemazeld bij de Haagse afdeling van AVRO’s Jeugdomroep Minjon, wist niet wat hem overkwam. Vanaf nu kon hij zijn idolen als Theo Uden Masman, Annie de Reuver, Eddy Christiani, Frans Poptie, die subliem kleine formaties leidde, en The Millers naast aandacht via de radio ook een podium in een veel gelezen tijdschrift geven. Een vele decennia omspannende carrière in de muziek had een vliegende start genomen.

Ontelbare hoesteksten

“Hij heeft een prettige schrijfstijl”, vond men. “Hij weet veel van muziek”, werd er gezegd en Paul Acket sprak bewonderend zelfs van “een gouden pen”. Omdat er nog geen in louter lichte muziek gespecialiseerde journalisten waren en de vraag naar informatie met de dag groeide, namen bladen als Wereldkroniek contact met hem op. Skip, kind aan huis bij Bovema, Phonogram, CNR, Artone/CBS, de vooraanstaande grammofoonplatenmaatschappijen, zat eerste rij waar het nieuwe releases betrof, kreeg voorrang bij interviews en fotosessies. Kortom, bij de labelmanagers stond hij op nummer één, met stip. Diezelfde platenfirma’s vroegen hem ook hoesteksten te schrijven voor ep’s, lp’s en later ook voor cd’s (vergoeding: respectievelijk 10, 15 en 25 gulden), ook artikelen voor hun huisorganen (Disco Discussies, De Platenjager, Gramophone House Nieuws). In 1952 werkte Skip ook mee aan Platen Nieuws, een blad voor de platenwinkels. Nooit maakte hij er zich van af met “50 woorden”, het advies van Van Haaren (“Dat maakt het de lezers niet te moeilijk”). Hij liet zich ook regelmatig uitbetalen in etentjes bij vooral de met 2 Michelinsterren bekroonde Bokkedoorns in Overveen. Skip was een lekkerbek hors concours. Taartjes en pralines en andere chocolaterie en confiserie kwamen alleen van Huize Van Wely in Amsterdam. Hij huldigde namelijk het door Calvinisten verfoeide 11e gebod: Gij zult genieten. Vaak nodigde Skip mensen bij hem thuis uit om een door hem bereide maaltijd te gebruiken.

De laatste tijd werd helaas op doktersadvies minder gesmikkeld en gesmuld dan voorheen. De 88-jarige presentator, producent en radiomaker, kampte aan het einde van zijn leven met enig fysiek ongemak, dat hem aan huis kluisterde. Tijdens ons gesprek schatte hij zelf zijn lichamelijke constitutie op 60 procent. Bezoek ontving hij mondjesmaat, maar voor Aether maakte Voogd graag een uitzondering.

Televisie

Heeft hij nooit de ambitie gehad carrière te maken bij de televisie? Een prompt antwoord: “Nee, in het geheel niet.” Sporadisch maakte hij zijn opwachting in de jury van een televisieprogramma, onder andere Nieuwe Oogst (1964), waarin hij een meisje vroeg of zij voor haar plezier zong. “Ja, meneer”, gaf zij als antwoord. Daarop kreeg zij van Skip het advies “dat vooral te blijven doen”. In die Nieuwe Oogst kon Nederland voor het eerst kennismaken met André van Duin. Ook voor de televisie (Top of Flop? Skip weet het niet meer) kraakte hij Elvis Presley af. Lik op stuk kreeg Skip toen hij Johnny Kendall & the Heralds aanraadde een ander beroep te kiezen. Dat pikte de zanger niet en liet dat duidelijk blijken. Eenmaal bij de NCRV was Skip te zien in televisieprogramma’s van Eddy Becker. Voogd blikte daar met een glimlach op terug en bekende: “Ik had niet de personality voor een loopbaan op de televisie, was niet likeable. Volle zalen? Ik ril ervan.” Hij pauzeerde, liep met de rollator naar de wc: “Daar heb je geen QR-code voor nodig.” Dan wilde Skip nog benadrukken dat hij presentator is geweest, beslist geen diskjockey: “Een presentator bereidt zijn programma’s voor, script zijn niet te lange teksten. Een diskjockey juist is iemand die bij wijze van spreken van de straat geplukt wordt en wat à l’improviste in de microfoon schreeuwt, vaak ook nog onverstaanbaar en daar een ministerssalaris of meer voor krijgt. Dat geldt overigens niet voor elke diskjockey. Voordat ik mocht presenteren moest ik op spraakles en iets doen aan mijn r en mijn s.”
Skip Voogd was geen brombeer, keek niet om in wrok. Hij was een “huismus” geworden. Tijd om afscheid te nemen. Ik laat mezelf uit, op de achtergrond hoor ik The Millers, heeft Skip met de afstandsbediening aangezet. My Blue Heaven. Dat swingt!

Cees Mentink

De archieven moeten open voor wie zijn verleden wil begrijpen

door Peter de Ruiter

Het was een schok om te constateren dat mensen in de Tweede Wereldoorlog grappen over joden maakten én dat ze er om lachten. Natuurlijk, de meesten van ons weten dit – van horen zeggen of uit een boek. Maar in een scène van het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter heb ik het nu voor het eerst in mijn zestigjarige leven ook gehóórd. Dat was een treurige ervaring.

Het Zondagmiddagcabaret van Paulus de Ruiter was in de oorlog het antwoord van de Nederlandsche Omroep, waar alle omroepverenigingen op last van de bezetter in waren samengegaan, op het succesvolle Cabaret De Watergeus van Radio Oranje. De naam Paulus de Ruiter was een pseudoniem van liedjesschrijver Jacques van Tol, die zoals bekend niet kieskeurig was voor wie hij werkte. Interessant is dat De Ruiter en Radio Oranje elkaars liedjes persifleerden.


Voor de goede verstaander

Zo maakte De Watergeus een spotlied op Anton Mussert op de melodie van De kleine man van Louis Davids, voor de oorlog geschreven door Jacques van Tol. Het handige van een bekende melodie was dat de (heimelijke) luisteraar naar Radio Oranje het wijsje zonder gevaar op straat kon fluiten, zodat het voor de goede verstaander duidelijk was aan welke kant hij stond. Maar als ‘de andere kant’ het kunstje imiteert, werkt het niet meer. Jacques van Tol maakte er een antisemitische versie van over “die uitgekookte, gaargestookte, vette jodenman”.

Van die versie is voor zover bekend geen geluidsopname bewaard gebleven, maar een complete uitzending van het Zondagmiddagcabaret staat op een van de vier cd’s van de set Ongehoord 1940-1945 – Amusement en propaganda tijdens de bezetting. Veel liedjes en sketches van Radio Oranje staan op een afzonderlijke cd. De andere twee cd’s zijn gevuld met liedjes ter verstrooiing en om moed uit te putten, zoals Koppen op! van Lou Bandy en Prakkizeer nu toch niet van Orkest Esmeralda met Bert van Dongen. Alle in totaal meer dan honderd nummers in de set zijn uitgebreid beschreven door journalist Henk van Gelder, een van de samenstellers, die ook achtergrondverhalen heeft geschreven in het fraaie boekje dat de cd-set vergezelt.


Zeshonderd overgebleven exemplaren

Hoe ik zo wijs ben geworden? Ik kreeg onlangs een exemplaar van de set cadeau van Maarten Eilander, die in 2005 vanuit het toenmalige Theater Instituut Nederland (TIN) als archivaris een van de initiatiefnemers was van Ongehoord, onder welke titel ook uitgaven zijn verschenen met de stemmen van Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. Eilander had de hand kunnen leggen op zo’n zeshonderd overgebleven exemplaren van de luxueuze set, die ooit waren blijven staan bij de verpakker. Ze zijn gebruikt als jubileumcadeau van vereniging De Weergever, die zich toelegt op 78-toerenplaten en -spelers. Eilander is daar actief in. Zoals gezegd was het voor de eerste keer dat ik het NSB-cabaret van Paulus de Ruiter hoorde, en ook veel materiaal van Radio Oranje was nieuw voor mij. Een zoektocht op internet leverde wel wat op, maar alleen wat highlights. Ik realiseerde mij dat het materiaal van de cd-set waardevol was, maar niet toegankelijk voor een breed publiek dat kennis wil nemen van zijn verleden. De set is weliswaar te koop via Bol.com, maar was niet beschikbaar via moderne platforms als Spotify, iTunes, Storytel en de onlinebibliotheek. Daar heb ik, in samenspraak met Maarten Eilander, verandering in gebracht. Van elke cd heb ik ook, met de teksten van Henk van Gelder, een luisterboek gemaakt, aangevuld met enkele andere relevante liederen uit die tijd.


Muzikaal theaterportret Peter Siers

Het gaat hier denk ik om het levend houden van archieven. Als schrijver en podcastmaker ben ik nieuw op dit terrein, maar ik heb al een paar dingen meegemaakt. Zo zat ik achter de liedjes aan van de bijna vergeten verzetszanger Peter Siers. Er lag een cassettebandje met acht van zijn kritische nummers in het archief, opgenomen vlak na de oorlog. Het heeft mij flink wat moeite gekost om ze te kunnen gebruiken in mijn podcast. Maar het is gelukt en ze staan nu ook op Spotify en elders. En meer: de Paul van Vliet Academie wil een ‘muzikaal theaterportret’ van Peter Siers maken en zijn nummers worden nu opnieuw uitgevoerd, onder meer bij Volgspot op NPO Radio5. Dat kon alleen gebeuren omdat een archief de originele opnamen uit 1945 heeft bewaard én omdat ze ook uit het archief zijn gekomen. Het is de lezer misschien opgevallen dat er de afgelopen jaren zo veel wordt gepubliceerd over de Tweede Wereldoorlog. Dat is mogelijk omdat veel schriftelijke archieven de afgelopen tijd zijn gedigitaliseerd en via internet toegankelijk zijn gemaakt. Ik heb de indruk dat dit met beeld en geluid beter kan. Ik ben er ook pas sinds kort achter dat liedjes en geluidsopnamen na zeventig jaar hun auteursrecht verliezen, so let’s go, publish or perish! Voor beeld zal het moeilijker liggen, maar willen we onze geschiedenis kunnen begrijpen, dan moeten ook die archieven open en makkelijk toegankelijk zijn: voor journalistiek en wetenschappelijk onderzoek en voor vermaak – juist nu in coronatijd fysieke toegankelijkheid van archieven lastig is. Ja, het is natuurlijk ook een centenkwestie, dus iets om je hard voor te maken.

so let’s go, publish or perish!


Een gotspe

Wat mij de afgelopen jaren ook is geworden, is dat veel archieven nog zijn ingesteld op fysiek materiaal. Om die reden heb ik mijn belangrijke podcastseries op cd gezet en gestuurd naar het depot van de Koninklijke Bibliotheek (KB), naar Beeld en Geluid, en naar het Verzetsmuseum. Een gotspe natuurlijk, elektronisch werk op een drager aanleveren. Maar in mei hoorde ik dat de KB eindelijk werk gaat maken van het verzamelen van ebooks en luisterboeken – hoewel die natuurlijk al een tijdje onder ons zijn. Voor het verzamelen van podcasts heb ik nog geen goed initiatief gezien. Podcasts bestaan sinds begin deze eeuw en er is al veel verloren gegaan. Nog even over de rechten. Ik hoor van een bevriend archief dat dit geen audio meer accepteert, omdat je daar vanwege de rechten weinig mee kunt. Dat is natuurlijk het paard achter de wagen spannen. Rechtenorganisaties, doe er wat aan! Zelf kom ik prachtig historisch materiaal tegen waarvan het volstrekt onduidelijk is wie de rechthebbende is. Ik ben geneigd dat materiaal te herpubliceren met als ‘disclaimer’ een tekst als: “We hebben getracht alle rechthebbenden te achterhalen. Wie zich geroepen voelt alsnog zijn of haar rechten te claimen, dient zich binnen drie maanden na publicatie te melden bij de uitgever”. Want: de vergetelheid is erger. Laten we ervoor zorgen dat een titel als Ongehoord figuurlijk blijft, niet letterlijk.

Zie ook www.ongehoord4045.nl  
Reacties: mail Peter de Ruiter.

Taboes aansnijden en sterke formats maken vanuit creatieve competitie

Zeventig jaar Nederlandse televisie

door Bas Nieuwenhuijsen

Op 2 oktober 1951 was er voor het eerst een ‘officiële’ landelijke tv-uitzending te zien in Nederland, onder auspiciën van de NTS. Hoe heeft het medium televisie zich sindsdien ontwikkeld? En is het geworden wat bijvoorbeeld pionier Erik de Vries ervan had verwacht? Een gesprek met Sonja de Leeuw, emeritus-hoogleraar Nederlandse televisiecultuur in internationale context aan de Universiteit Utrecht, over 70 jaar tv.

Experimenten met televisie waren er al veel eerder dan 1951. Internationaal en ook in Nederland werden verschillende systemen beproefd, aanvankelijk vooral mechanische, waarbij veelal gebruik werd gemaakt van een Nipkowschijf. Gaandeweg de jaren 1920-’30 verdrongen elektronische systemen de mechanische. In Nederland experimenteert Philips hiermee. Pionier Erik de Vries, die op het Natuurkundig Laboratorium van Philips werkte, was er vanaf het begin in 1935 bij betrokken.

Kort na de Tweede Wereldoorlog werd televisie een massamedium in onder meer de Verenigde Staten. “Het kwam hier wat later op gang”, zegt De Leeuw, “maar Nederland was zeker niet de laatste in Europa op dit gebied. Men was er direct na de oorlog nog niet klaar voor. Philips wilde wel, maar in de politiek waren er veel conservatieve stemmen. Televisie werd vanuit een ideologisch perspectief bekeken: was het niet slecht voor mensen? En waar zou je dat nieuwe medium moeten onderbrengen? De omroepen stonden destijds ook niet te trappelen, nieuws op televisie bijvoorbeeld mocht het radionieuws niet gaan verdringen. Erik de Vries heeft het toch doorgedrukt.”

Eigenlijk was ‘Hilversum’ ook in 1951 nog niet klaar voor het nieuwe medium. De Leeuw: “Het vak werd vooral in de praktijk geleerd. De omroepen keken ook de kunst af in het buitenland, met name bij de BBC. En ze haalden mensen van de radio om tv te gaan maken, de regisseurs bijvoorbeeld. Het heeft lang geduurd voordat filmregisseurs televisie gingen maken. Nederland kende niet zo’n sterke filmcultuur, en er is lange tijd niet nagedacht over televisie als een visueel medium, waarvoor je met beelden een verhaal vertelt. Drama bijvoorbeeld was theater, dat werd heel toneelmatig beschouwd.” Toch is er wel een ‘Nederlandse’ tv-beeldtaal herkenbaar, vindt De Leeuw. “Die is vooral sober, niet overdadig, en gestileerd, efficiënt. Prachtig vond ik bijvoorbeeld de serie A’dam – E.V.A. van Robert Alberdingk Thijm en Norbert ter Hall, omdat daarin deze kenmerken te zien zijn in combinatie met een sterk visuele stijl waarbij de camera een speler is geworden.”

Televisiecultuur

In de afgelopen 70 jaar is er een eigen, Nederlandse televisiecultuur ontstaan, vindt De Leeuw, die samenhangt met de Nederlandse cultuur in bredere zin. “Cultuur associeer ik met identiteit. De Nederlandse cultuur is antiautoritair. We hebben dan ook geen staatsomroep, die van bovenaf wordt gereguleerd. Wij hebben een publiek bestel met omroepen die vanuit een bepaalde ideologie werken. Een staatsomroep kan ook verschillende groepen en standpunten laten horen, maar hier doen we dat vanuit een onderlinge, creatieve competitie. Dat is minder paternalistisch. Wij snijden op tv ook wat makkelijker taboes aan dan in het buitenland gebeurt, bijvoorbeeld als het gaat om seksualiteit, geloof of de monarchie.”

De publieke omroepen hebben in de loop der jaren ook veel producties van buiten het bestel uitgezonden. “Vrije producenten, regisseurs, auteurs en noem maar op hebben veel bijgedragen. Mede dankzij hen en hun ondernemerschap is hier een sterke formatindustrie ontwikkeld, met formats die in wezen internationaal zijn, die dus goed kunnen ‘reizen’.” En sinds meer dan dertig jaar hebben we commerciële televisiestations. “Die bieden uitstekend nieuws en goede talkshows, en verder vooral veel amusement. Hun dramaproducties vind ik erg genrematig. Maar ook zij hebben, vanuit hun ondernemerschap, sterke formats ontwikkeld, zoals Big Brother.”

Idealisme en profilering

Wat De Leeuw betreft zouden de publieke omroepen zich beter mogen profileren, maar niet meer langs de lijnen van de oude verzuiling. “Ze moeten zich herbezinnen en zich beter gaan onderscheiden van commerciële zenders. Ze hebben een heldere identiteit nodig en moeten talent voeden, inzetten op onderzoeksjournalistiek, goed drama, betere talkshows met betere gasten. Kijk bijvoorbeeld naar Op1. Die presentatieduo’s zijn leuk, maar het publiek weet volgens mij niet dat ze steeds van andere omroepen zijn. Hun achtergrond, de identiteit van hun omroepen is niet meer herkenbaar, ook al vertegenwoordigen ze wel een bepaald geluid, of het nou van rechts is of juist avant-gardistisch. De omroeplogo’s zijn wel in beeld, maar wat zegt het de mensen nog? De wereld is niet meer via die zuilen georganiseerd.”

Hoe zou pionier Erik de Vries nu naar het medium kijken? De Leeuw, die een biografie over hem schreef: “Hij had niks met de omroepzuilen, daar was hij op tegen. Hij kreeg dan ook geen vaste plek in Hilversum en werd al gauw aan de kant geschoven. Hij zou nu teleurgesteld zijn over televisie, want hij had grote idealen. Televisie was voor hem een cultureel medium, het moest mensen samenbrengen, tot uitwisseling en wereldvrede leiden. Maar van een goede reportage kun je wel wat leren, maar je wordt er niet echt extra tolerant van. Het blijft niet hangen. De tv brengt ons vooral samen rond grote live-evenementen” Daarmee wil ze zeker niet zeggen dat televisie niets teweegbrengt of niks met ideologie te maken heeft. De Leeuw: “Televisie geeft ons een blik buiten ons eigen milieu, onze straat, over grenzen heen. En het bouwt mee aan ons collectieve geheugen, het zegt iets over onze identiteit. De manier bijvoorbeeld waarop de Tweede Wereldoorlog in beeld is gebracht, toont hoe we ons die periode collectief willen herinneren. Het is een beeld vanuit een bepaald perspectief. Wat dat betreft vind ik het nogal hypocriet dat de hoofdredacteur van het Journaal zijn mensen niet wil laten aanschuiven bij De Vooravond, omdat dat opiniërend is. Alsof het Journaal geen keuzes maakt.”

In memoriam: Co de Kloet (1932-2020)

Co was een geweldige chef en vriend. Hij leerde mij het radiovak snel en kundig in een tijdperk dat er nog geen School voor de Journalistiek bestond. Ik leverde op zeer jonge leeftijd tekstbijdragen aan het programma Multiplex, die door Co werden beoordeeld. Aan het doorwrochte anderhalf A-viertje tekst had ik de nodige tijd besteed. Co wierp er een korte blik op, gaf het terug en zei: dat kan korter. Het inkorten vergde bijna dezelfde tijd, maar trots leverde ik nu een halve pagina in. Toen ik later het draaiboek zag met mijn drieregelige bijdrage, voelde ik twee reacties: een tik voor het voorhoofd, maar later het besef: ja, zo kan het ook. Co werd hierdoor niet alleen mijn leermeester maar ook die van de stagiaires die later bij mij kwamen werken.

Halverwege de jaren zestig ging ik van de afdeling Lezingen over naar de jeugdafdeling. Nu leerde ik dankzij Co alle facetten van het vak van nabij kennen: van de geheimzinnige jacht op primeurs zoals hij die binnenhaalde met nieuwe Beatles-nummers in zijn geweldige en door Herman Stok gepresenteerde hitprogramma Tijd voor Teenagers tot en met tijdens muziekshows het publiek enthousiast laten applaudisseren door met een opgerold draaiboek boven het hoofd te zwaaien.

We bedachten het programma Vragenvuur waarbij bekende Nederlanders openhartig vragen van middelbare scholieren beantwoordden. Maar de redacteuren van de jeugdprogramma’s waren verslaafd aan een bijzonder kaartspelletje Boerenbridge waarbij als erecode gold dat een eenmaal begonnen spel altijd afgemaakt diende te worden ongeacht montagetijden of afspraken buiten de deur. Daardoor kwamen we te laat bij de minister van Justitie Samkalden en de legendarische Ajax-trainer Rinus Michels. Die strafte ons genadeloos door tot drie keer toe op willekeurige vragen eerst te antwoorden: ik was hier op tijd. Chef Co bleef uiterlijk onbewogen.

Januari 1974 ging het politieke radiocafé In de Rooie Haan van start. In de foyer van de VARA-studio werd met schotten een afbreekbaar en kwetsbaar maar echt café gebouwd. Dat moest voor een vergadering van het NOS-bestuur worden afgebroken. De ontwerper raadde dat sterk af. Onder leiding van Co en mij volgde er een bezetting door VARA-medewerkers. Voorzitter André Kloos trommelde uit het gehele land het VARA-hoofdbestuur bij elkaar en Co en ik, beiden ook lid van de Ondernemingsraad, moesten in de vergaderzaal komen. Voorzitter Kloos zegt maar één vraag te hebben: wie is hier de baas? Chef Co aarzelt geen seconde: Dat zijn jullie. Daarop zegt de VARA-voorzitter: Dan wordt nu het café afgebroken. Co reageert onbewogen en direct: Dat nu net niet. Het complete VARA-hoofdbestuur verliet daarop het gebouw. Er zullen maar weinig chefs zijn geweest die dit zo gedaan hadden.

Co was een geweldige chef die je je gang liet gaan zo lang het goed ging. Daarom kwam er ook het befaamde jeugdprogramma Uitlaat met Wim de Bie en Kees van Kooten. Daarom kon In de Rooie Haan ook ongeremd victorie kraaien. Maar Co was meer dan chef. Ook op zijn manier een trouw vriend. We hadden veel contact over de lokale politiek. Hij volgde Leefbaar Hilversum en ik de onnavolgbare avonturen van het legendarische Dorpsbelangen en zijn drie wethouderschappen. En altijd met humor. Die vriendschap bleek ook sterk de afgelopen jaren met onze 7 man sterke Boerenbridgeclub die elke eerste maan-dag van een nieuw kwartaal weer hartstochtelijk, net als vroeger, met veel plezier, hapje en drankje oude herinne-ringen ophaalde. Maar na Kees Schoonenberg, Frans van Mastrigt en Joop Söhne zal ook Co niet meer verschijnen.

Zondag 29 november, twee dagen voor zijn overlijden, namen we bij Co thuis afscheid. Het duurde langer dan gedacht, ook al was Co zeer verzwakt, maar hij was wel helder van geest en lachte. De gevoelens op de Korten-hoefsedijk waren gemengd, maar wat overheerste: een zeer apart iemand verlaat ons. Co was een geweldige chef en vriend.

Jan Nagel

In memoriam: Fred Bredschneyder (1927-2020)

Dingen die je in je jonge jaren deed blijven soms levenslang aan je plakken. Dappere Dodo is er zo-eentje: die bleef altijd kleven aan zijn schepper Fred Bredschneyder. Op 14 september overleed Fred, 93 jaar oud. Maar naast Dodo was er nog veel meer.

Fred ging in 1945 werken bij dagblad De Tijd: correctie en redactie. Daarnaast was hij jarenlang actief als acteur, regisseur en cabaretier in de amateur-theaterwereld. In 1954 (hij was toen 27 jaar) kwam hij in dienst van de KRO, waar hij de zesde medewerker bij de televisiedienst was. Een collega bij De Tijd waarschuwde hem nog voor zijn overstap: die televisie, dat zou toch niks worden!
Betrokken bij de toneel-, amusements- en jeugduitzendingen bedacht hij het concept en de tune van de jeugdserie Dappere Dodo, in 75 afleveringen uitgevoerd door Bert Brugmans Marionettentheater. En hij bedacht er de allitererende titel van: hij vond de naam Dodo in de heiligenkalender van de R.K. Kerk.
Er zijn nog steeds legio mensen die het herkenningslied van de serie kunnen meezingen, dat begint met: “Jongens, meisjes, kijk nu goed wat die Dappere Dodo doet. ’t Is een jongen met veel pit, waar geen greintje kwaad in zit.”

Later werd Fred Bredschneyder hoofd Filmzaken en was verantwoordelijk voor de aankoop van series als De Wrekers, Bonanza, Ivanhoe en Alfred Hitchcock presents, voor verfilmde boeken van Graham Greene en Jan den Hartog, en voor filmseries rond bekende acteurs. Verder deed hij regie, dan wel redactie of productie voor diverse tv-pro-gramma’s, maakte documentaires over de Deltawerken en tv-portretten van zangers, dirigenten en componisten uit de opera- en operettewereld: die leidde hij zelf in met interviews met de hoofdpersonen, onder wie Robert Stolz, Rudolph Schock, Johan Heesters, Margit Schramm. Van 1969 tot 1982 maakte hij deel uit van de redactie van het tv-programma Voor een briefkaart op de eerste rang. In 1985 ging Fred met de vut, maar bleef nog als publieks-begeleider meewerken aan de KRO-programma’s Waku Waku, Applaus en Hans van Willigenburgs programma’s over de theaterkunsten.

Daarnaast propte hij zijn enorme muzikale kennis en bevlogenheid in een hele reeks boeken, zoals Elseviers grote boek voor operette en musical, TV-operettegids, Operette in Nederland, De zingende film, en een boek over Robert Stolz (met wie hij bevriend raakte) en een over Joseph Schmidt. En dan gaf hij ook nog lezingen over opera en film bij het Holland Festival in 1994 en 1995, maakte het tijdschrift van De Zonnebloem, werkte mee aan het maandblad Filmforum, was lid van de Artistieke Adviesraad van de Hofstadoperette, was redactielid van het parochieblad van de Verrijzeniskerk in Hilversum. Kortom: “een actief en bevlogen leven”, zoals het in de overlijdenskaart stond.

Ja, en dan ook nog Aether. In 2002 kwam Fred de Aether-redactie versterken. Een jaar later werd hij hoofdredacteur, een functie die tevoren niet had bestaan. Tijdens zijn ‘bewind’ (tot 2016) veranderde het blad: er kwamen minder puur-technische onderwerpen, het aandachtsterrein werd breder en journalistieker, en het blad verscheen geheel in kleur. Fred schreef tal van bijdragen aan het blad, over uiteenlopende onderwerpen (ja, natuurlijk ook over Dappere Dodo..) en veel cd- en dvd-recensies waarbij zijn voorkeur voor opera en operette niet verborgen bleef.

Een leven vol televisie en niet minder vol muziek. Bovenaan zijn overlijdenskaart stond dan ook: “Het slotakkoord heeft geklonken, laten de engelen het nu overnemen…”

Willibrord Ruigrok

In memoriam: Jan Vos (1946-2020)

Jan Willem Vos werd in 1946 in Hengelo (Ov.) geboren. Na zijn studie politiek en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam kwam hij begin jaren zeventig van de vorige eeuw in dienst bij de publieke omroep. Samen met collega’s Harrie Vossen, Piet Tullenaar en Sal Witteboon vormde hij het Historisch Archief. Deze NOS-afdeling had tot doel om aanwezig plaat- en beeldmateriaal voor programmamakers te ontsluiten voor hergebruik. Men was aangesteld om een bepaald specialisme te vertegenwoordigen. Zo werd Jan ingezet voor politiek, Piet voor onder andere actualiteiten en Harry bijvoorbeeld voor literatuur. Aansluitend volgde zijn benoeming tot waarnemend chef Fonotheek. Jan werd vervolgens voorzitter van de NOS-OR, vrijgesteld als vertegenwoordiger van Fonotheek en Historisch Archief. Hierdoor vocht hij menig ‘robbertje’ uit met onder andere NOS-voorzitter Erik Jurgens.

Na twee jaar werkzaamheden voor Personeelszaken maakte hij een nieuwe carrièreswitch. Als gevolg van een reorganisatie ontstond de nieuwe afdeling Dienst Uitvoerende Kunstenaars (DUK), het grootste muziekcentrum van Europa met wel 500 medewerkers. Jan werd eerst benoemd tot interimmanager, later omge-zet in een vaste functie. Of zoals Jan dat in de wandelgangen noemde ‘chef koren en orkesten’. In die hoedanigheid gaf hij leiding aan medewerkers en kwam hij in contact met diverse dirigenten. Zijn voorliefde voor klassieke muziek was alom bekend. De autoradio stond altijd aan, net als bij de Britse inspecteur Morse. In een ver verleden hield hij kennelijk ook van popmuziek, gezien zijn betrokkenheid als mede-organisator bij de Easy Beat Club in Hotel Deters in Hengelo. Menig muziekuitvoering heeft hij gevolgd. Soms zelfs een concert in het buitenland (Spanje). Ook stond Vos in 1986/87 aan de wieg van het tijdschrift Concertpodium, met Renso van Bergen voor de journalistieke ondersteuning. Hij was degene die in 1989 Edo de Waart als chefdirigent van het Radio Filharmonisch Orkest aantrok.

Een jaar eerder was de verzelfstandiging van de NOS een feit door het Facilitair Bedrijf af te splitsen in het NOB (Neder-lands Omroepproduktie Bedrijf). Van 1989-1990 was hij hoofd Interne Mobiliteit NOB. Later zag hij op deze turbulente periode terug als ‘chef ontslag’. Aansluitend volgde in 1990 zijn benoeming tot directeur van het Audio Visueel Archief Centrum (AVAC). Hierdoor viel onder andere ook het Film- en Beeldbandarchief onder zijn leiding. Dit bedrijfsonderdeel vormde samen met een drietal andere organisaties sinds 1997 het Nederlands Audiovisueel Archief (NAA).

In 1991 verving hij onbezoldigd museumdirecteur Kees Cabout. Cabout was een van de initiatoren van het historisch kwartaalschrift Aether. De grootste verdienste van Vos was de totstandkoming van een nieuwe behuizing van het Nederlands Omroepmuseum aan de Oude Amersfoortseweg. Deze behuizing van circa 3000 m2 – samen met de collectie van het voormalig Fonografisch Museum – werd in 1993 betrokken. De opening werd verricht door Hedy d’Ancona, minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Talloze museumbezoekers wisten de weg naar Hilversum te vinden. Met de activiteiten van het Omroepmuseum legde Vos de ‘fundering’ van het huidige Beeld en Geluid. Na de sluiting van het mu-seum eind 2002 moest de stichting Vrienden van het Omroepmuseum omgezet worden in de stichting Omroephistorie. Jan verrichtte secretariële ondersteuning. Deze organisatie was niet alleen verantwoordelijk voor de opzet en uitgifte van het kwartaalschrift. Enige jaren eerder verscheen ook de introductie en jaarlijkse uitgifte op grammofoonplaat van Stemmen des tijds, later ook leverbaar op cd. Bovendien verzorgde Vos jarenlang, ook na zijn pensionering, de notulen van de redactievergaderingen van Aether.

Slechts bij uitzondering verschenen redactionele bijdragen van zijn hand. Bijvoorbeeld over de sluiting van het museum (66/13) of ‘ontwerp nieuwbouw aangepast’ (64/23). In het boek Hilversum en de omroep t.g.v. het 20-jarig bestaan van de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk verscheen zijn bijdrage ‘het muzikaalste dorp ter wereld’ (1993). Hoogte-punten van Aether: een dik nummer bij de opening Beeld en Geluid (2007) en het 100ste nummer (2011), een prestatie van formaat t.g.v. het 25-jarig bestaan. In januari 2016 ontving hij voor zijn verdiensten voor de mediastad uit handen van wethouder Wimar Jaeger ‘De Mediakorrel’. Kortom een bescheiden doch strijdbare man op de achtergrond met gevoel voor droge humor, die alleen als manager Divisie Muziek NOB en als directeur van het Nederlands Omroep Museum zicht-baar was. Vermoedelijk vanwege zijn sociale achtergrond als Woodbrooker voelde Vos zich aangetrokken tot het ‘vak-bondswerk’. Ondanks dat de laatste periode van zijn leven zich kenmerkte door ziekte bleef hij optimistisch.

Arno Weltens

Dolf van der Linden, een maestro van eenzame klasse

door Cees Mentinck

“Meneer Van der Linden, zoudt U een ongeveer veertig man sterk amusementsorkest voor ons kunnen samenstellen. . . ?”
Wij schrijven augustus 1945 en het was bepaald geen gemakkelijke opgaaf, waarvoor de directie van Herrijzend Nederland – de radio in die dagen – Dolf van der Linden had geplaatst. Maar voor Dolf betekende het dat een reeds lang gekoesterde wens nu plots in vervulling ging. Een groot orkest was altijd zijn ideaal geweest, een ensemble dat meer zou zijn dan alleen maar ‘dansorkest’. Een formatie met een allesomvattend repertoire. Een orkest dat door zijn grote mogelijkheden in staat zou zijn de kloof tussen lichte en ernstige muziek te overbruggen. Een ensemble, geconcentreerd rond een frontline van strijkers.

Musici reisden van heinde en verre naar Hilversum, waar Dolf zich de ‘tandjes’ zwoegde en zweette om naast het samenstellen van een uitgebalanceerd symfonisch orkest, componerend en arrangerend voldoende repertoire te realiseren om zo spoedig mogelijk muzikaal los te gaan. Manny Oets (piano), Benny Behr (viool), Sem Nijveen (viool, trompet), Jos Cleber (trombone), Bill van den Heuvel (slagwerk), Jan Corduwener (viool, accordeon), Tony van Hulst (gitaar, zang) en Cees Verschoor (altsaxofoon) zijn enkele musici die aan de wieg van het orkest stonden. In november 1945 klinkt het door Van der Linden gecomponeerde Parklane Serenade, genoemd naar de club waar hij speelde voor de Canadese bevrijders, voor het eerst in de ether. Het zal decennialang de begin- en eindtune zijn van de ontelbare radio- en televisie-uitzendingen en concerten in het land van het Metropole Orkest. Door Stan Haag wordt de compositie voorzien van een zelden gezongen Nederlandse tekst. Tot zijn pensionering in 1980 zal Dolfs naam in één adem genoemd worden met die van het orkest, waaraan hij ziel en zaligheid verpandde.

Vliegende start
De 1 meter 94 lange jongeman hoeft niet in militaire dienst, hij is te mager. Niet zo vreemd in die moeilijke jaren ’30 van de vorige eeuw. Dolf zorgt voor brood op de plank. Hij sluit zich aan bij The Jolly Boys, een accordeongroepje dat auditeert bij de VARA en niets meer zal vernemen van de rode omroep. De Boys maken in 1933 hun radio-entree bij de KRO en ontvangen 40 gulden, een vermogen. Het blijft bij een eenmalig optreden. Intussen schrijft Dolf composities en stuurt ze naar organist Cor Steyn; die neemt ze op repertoire en vult er zijn radiokwartiertjes mee. Hij stelt cursussen piano en accordeon samen, die Dolf als ‘directeur’ van het Hollandsch Instituut voor Piano Onderwijs (HIPO) aanbiedt.
Tussendoor is hij als pianist werkzaam in dancings en café chantants, en denkt dat er meer deuren opengaan wanneer hij pseudoniemen gebruikt. Zo duikt hij als Dave Lincy op in programma’s bij de NCRV. Hij ontmoet Gerritje (Gerda) Goudappel, wordt stapelverliefd, trouwt (een ‘motje’) en is zich bewust nu aan het hoofd van een gezin te staan. Bij het Hongaars orkest Lakatos, een Italiaans ensemble en bij het orkest van een Russisch (Oh-la-la) Ballet beroert hij de 88 toetsen, en stort zich daarnaast op het schrijven van arrangementen. Dat doet Dolf voor het VARA-Radio-Orkest onder leiding van Jan Vogel en het AVRO-Dansorkest van Hans Mossel. Voor de formatie van Eddy Meenk schrijft de in Vlaardingen geboren muzikant Prelude en wordt de vaste pianist. Eenmaal bij Meenk is er geen houden meer aan. De muzikantencarrière van Dolf van der Linden heeft een aanvang genomen.

Alle genres
In zijn lange loopbaan componeert Van der Linden honderden stukken, schrijft filmmuziek en operettes. De bevlogen dirigent en zijn orkest zijn in de jaren ’50 bijna dagelijks te beluisteren in miljoenen huiskamers, waar de televisie niet of nauwelijks zijn intrede heeft gedaan. Uit zijn geschiedenis zal blijken dat hij en zijn in 1945 opgerichte orkest ‘alles’ speelt: swing, symfonische jazz, ballads, lichtklassiek, musical en pop. Stop! Laten wij de chronologische volgorde van de historie nog even aanhouden. Eind jaren ’30 stelt de AVRO hem aan als arrangeur-componist. De multi-instrumentalist is dan uitgebreid op tournee geweest – ook in het buitenland – met Eddy Meenk and his Radio Stars, ook wel geafficheerd als “L’orchestre hollandais du Poste de Hilversum” en sluit zich aan bij Johnny Fresco & his Swing Aristocrats. Dan is de mobilisatie een feit en ontbrandt de Tweede Wereldoorlog.

Arrangeur
Hij verhuist naar Hilversum en schrijft bewerkingen voor het Amusementsorkest van Elzard Kuhlman, ook voor diens Vaudeville-Ensemble, De Vagebonden en het AVRO-Dansorkest waar Klaas van Beeck als leider Hans Mossel heeft vervangen. De besnorde muzikale ‘alleskunner’ maakt zich tijdens de oorlogsjaren los van de Nederlandsche Omroep, die in 1941 de taken van de opgeheven omroepen heeft overgenomen. Voor deze foute organisatie schrijft hij wel arrangementen, dat doen ook onder meer Tom Erich, Willem Ciere en Rudolf Karsemeijer. Dolf schnabbelt (voor aardappelen en brood) en speelt piano bij revuegezelschappen. Hij, Klaas van Beeck en veel andere omroepmedewerkers worden in 1944 via Kamp Amersfoort gedeporteerd naar Duitsland.
In Kamp Bethel wacht dwangarbeid. Door een zwaar ongeluk belandt hij in het ziekenhuis. Dolf, die vanwege de ernstige kwetsuren niet kan werken, wordt bij Gronau over de grens gezet. Dat zijn blazoen ongeschonden wordt geacht, blijkt wanneer hem na de Bevrijding wordt gevraagd een groot orkest te formeren. Enkele jaren later gaat Dolf weer door de molen; hij wordt van alle smetten gezuiverd. In tegenstelling tot Theo Uden Masman en Dick Willebrands, zij en hun orkesten worden geschorst.

Breed inzetbaar
Nationale en internationale roem vergaren Dolf en het Metropole Orkest door het Eurovisie Songfestival. Hij dirigeert 18 inzendingen, waarvan 13 uit Nederland. Net als toen (Guus Jansen/Willy van Hemert) gezongen door Corry Brokken (1957), ’n Beetje (Dick Schallies/Willy van Hemert), Teddy Scholten (1959) en Dana’s All kinds of everything (Derry Lindsay/Jackie Smith) voor Ierland (1970) worden door hem festivalwinnaars. De leden van het Metropole Orkest zijn in dienst van de Nederlandse Radio Unie (NRU), ze treden op voor alle omroepverenigingen. Radiomedewerker Aad Bos, getrouwd met en gescheiden van Dolfs dochter Anneke, wordt aangehaald in de door Bas Tukker geschreven biografie van Dolf: “De door het Metropole Orkest verzorgde uitzendingen hadden doorgaans een lengte van een half uur tot drie kwartier. Meestal bestond zo’n programma uit kort instrumentaal werk, maar af en toe was er ook ruimte voor langere stukken, denk aan Rhapsody in Blue. In juli was het orkest een maandlang met vakantie. Om die periode te overbruggen, werden er in de weken die daaraan voorafgingen extra opnames gemaakt en ‘ingeblikt’, al gebruikte men destijds die term niet. ”
Het Metropole Orkest werkt ook mee aan amusementsprogramma’s die in de studio plaats vonden, zoals Steravond (NCRV) en Showboat en Plein 8 uur 13 (VARA).

Buitenland
Dolf van der Linden is in de jaren ’50 een ‘bijbeuner’ van jewelste. Er is een overweldigende belangstelling voor instrumentale achtergrondmuziek, te beluisteren in bioscopen en vliegtuigen én thuis, op de plaat. Oneerbiedig ‘muziek per strekkende meter’ genoemd. De elpees komen uit in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten op labels als Brunswick, Decca en Capitol; de componist bedient zich van diverse pseudoniemen: David Johnson, Paul Franklin en Nat Nyll. Zijn ensembles luisteren naar namen als Van Lynn and His Orchestra en Daniel De Carlo. Grootheden als de eerdergenoemde George Melachrino, en Ray Martin nemen met hun orkesten werken van de Nederlander op. Ook wordt hij in het buitenland een veelgevraagd gastdirigent. Klassieke muziek en musicalwerken dirigeert hij voor De Haarlemse Orkestvereniging, het latere Noordhollands Philharmonisch Orkest, het Gelders Orkest en de Groninger Orkestvereniging.

Nieuwe tijden
Vanaf 1962 breken er moeilijke tijden aan in Hilversum. De beatmuziek doet zijn intrede. De jeugd krijgt een stem in het muzikale kapittel. Dit betekent het begin van het einde van veel omroeporkesten. Een nieuwe tijd breekt aan, zonder de orkesten van Klaas van Beeck, Theo Uden Masman, Bep Rowold en Jos Cleber. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor het Metropole Orkest? De nieuwe muziek en nieuwe generatie muzikanten worden weggezet als “een voorbijgaand noncultuur-verschijnsel”, een misvatting. Ook de radio verandert, Dolf zal mee moeten of de winkel sluiten.
VARA-radioproducer Joop de Roo, echtgenoot van zangeres Greetje Kauffeld, blijkt ‘de reddende engel’. Hij bedenkt nieuwe radioprogramma’s met het Metropole Orkest dat the cream of the crop uit het buitenland begeleidt. Hij haalt moderne arrangeurs in huis (Jerry van Rooyen, Rob Pronk), opera- en operetteklanken klinken, en het programma Muzikaal Onthaal blijkt goed voor 800 radioshows. Metro’s Midnight Music – weer met Joop de Roo – is elke week laat op de radio te beluisteren. Wanneer 1980 nadert, het jaar dat Dolf met pensioen ‘moet’, heeft hij het moeilijk. Van der Linden moet zijn orkest uit handen geven. Dat doet pijn. Opvolger Rogier van Otterloo is een ‘andere’ dirigent, ook een ‘andere’ componist met ‘andere’ ideeën. Toch is het goed dat Dolf ‘van Drees gaat trekken’. Vanaf zijn 60ste heeft hij gezondheidsproblemen. Zijn hart begint te protesteren en er manifesteert zich de ziekte van Ménière die doofheid en evenwichtsstoornissen met zich meebrengt. In 1977 is er sprake van een kwaadaardige darmtumor. Hij praat er niet over. Tijdens Dolfs regelmatige afwezigheid nemen onder anderen Ruud Bos en Harry van Hoof het stokje als gast over. Op zijn 80ste verjaardag wordt Dolf naar de studio gelokt. Daar wordt hij toegezongen en dirigeert hij Parklane Serenade. Voor de laatste keer. Een aangrijpende gebeurtenis, te zien op YouTube.

Dolf van der Linden overlijdt op 30 januari 1999.
Afscheid van een maestro van eenzame klasse!

75 jaar bevrijding

Hoe klonk de bevrijding op de radio?

“Landgenoten, wij herhalen het bericht, waarop wij allen zo lang hebben gewacht. Veldmaarschalk Montgomery heeft aan generaal Eisenhouwer medegedeeld dat alle Duitse strijdkrachten in Nederland, in het Noord Westelijk gedeelte van Duitsland en in Denemarken met inbegrip van Helgoland en de Friese eilanden hebben gecapituleerd.” Zo hoorden de luisteraars van Herrijzend Nederland op 4 mei om 20.50u dat Nederland was bevrijd.

De radio was een belangrijke nieuwsbron in het verloop van de oorlog. Vanaf de landing van de Geallieerden in Normandië tot aan de Duitse capitulatie was er dagelijks nieuws over de ontwikkelingen. Hoe werd de bevrijding van Nederland verslagen op de radio?
Na de bevrijding van Antwerpen meldde premier Gerbrandy op 4 september 1944 op Radio Oranje dat “de Engelse troepen de Nederlandse grens overschreden hebben”. In de oorspronkelijke tekst stond “Engelse troepen naderen de Nederlandse grens”, Gerbrandy had de regels zelf aangepast. Het bericht werd vervolgens door de BBC overgenomen. De Nederlandse ANP-oorlogsverslaggever Robert Kiek deed er schepje bovenop door te melden “de bevrijding is geen kwestie van dagen, maar van uren”. De enthousiaste bevrijdingsroes die door de radio-uitzendingen uitbrak werd bekend als Dolle Dinsdag. De Engelsen bleken niet te komen en de bevrijding liet nog op zich wachten.

Herrijzend Nederland

Maastricht was op 14 september de eerste Nederlandse stad die bevrijd werd. Al snel volgde Eindhoven op 17 september. Kiek deed op 19 september verslag uit Eindhoven op Radio Oranje. In de uitzending sprak hij een lid van een verzetsgroep én een 13-jarige jongen die over het bevrijdingsfeest vertelde. In zijn scouting uniform had de jongen op een auto mee gereden door de stad. De bevrijding kwam zo ook voor luisteraars in bezet gebied steeds dichterbij.

“Hier is Herrijzend Nederland, de zender op vrije vaderlandse grond, op golflengte 420 meter met een proefuitzending voor alle Nederlanders in bevrijd of nog bezet gebied”, klonk het op maandag 2 oktober 1944.
Enkele weken later bracht Karel Nort vanuit Tilburg een bevrijdingsverslag op 4 november 1944. Acht dagen na de bevrijding organiseerde de stad een feestelijke bevrijdingsoptocht. Herrijzend Nederland zond dagelijks 10,5 uur uit, op zondag zelfs 14 uur.
Zo’n 80 fragmenten of uitzendingen tot aan de bevrijding zijn bij Beeld en Geluid bewaard. De collectie bestaat uit toespraken van ministers, de toespraken van directeur Henk van den Broek (alias de Rotterdammer) of Joop Landré (alias de Fox) en diverse oorlogsverslagen. Daarnaast zijn er uitzendingen van de BBC en Radio Oranje, die vaak opnieuw werden uitgezonden via Herrijzend Nederland.

De reportagewagen van Herrijzend Nederland in 1945

De opmars van de Geallieerden in Nederland was in het najaar van 1944 gestopt bij de grote rivieren. Zuid-Nederland was bevrijd, in het voorjaar van 1945 begon de bevrijding van de rest van Nederland. “Tuesday March the 13th 1945 will become a historic day in the history of the Dutch people”, klonk het op de BBC toen koningin Wilhelmina in Zeeuws-Vlaanderen voet op Nederlandse bodem zette. Terwijl de steden in het oosten in rap tempo bevrijd werden, op 1 april Enschede, 3 april Hengelo op 10 april Deventer en 13 april Arnhem, bleef het westen van het land echter nog bezet. Duidelijk was ook de nijpende voedselsituatie. Zondagavond 15 april zond Herrijzend Nederland daarom een eerste noodroep uit. “Zij kunnen niet wachten”, meldde de rubriek ‘Nederland herrijst’ in een lange toespraak. In de opeenvolgende dagen werd de noodkreet opnieuw geuit.
In zijn boek ‘Hier Radio Oranje’ uit 1946 beschrijft Henk van den Broek hoe volgens hem de uitzendingen ertoe bijdroegen dat er op 24 april overeenstemming werd bereikt tussen de Duitsers en de Geallieerden om voedselpakketten af te werpen boven bezet gebied.

Nationale zender

De vraag blijft hoeveel mensen de uitzendingen van Radio Oranje of Herrijzend Nederland konden horen. De bevolking had in mei 1943 de radio moeten inleveren. Natuurlijk luisterden er mensen stiekem. Zij hadden hun radio verstopt en namen daarmee een groot risico. Herrijzend Nederland groeide de eerste maanden uit tot zo’n 120 medewerkers. De autoriteiten hechtten veel belang aan uitzendingen. Vooral voor de verzetskranten was de radio een belangrijke nieuwsbron. Ze meldden bij vrijwel ieder bericht de zender van herkomst.

Lange tijd waren er nog uitzendingen op de Hilversumse genazificeerde Nationale Omroep. Toen vanaf 15 april de zender een aantal dagen stil was, verschoof radio Herrijzend Nederland op 18 april naar de Hilversumse golflengte van 415 meter. De zendtijd werd nog eens verder uitgebreid tot 15 uur per dag. Er waren 13 dagelijkse nieuwsbulletins. Herrijzend Nederland was vanaf dat moment de nationale zender geworden. Na alle oorlogsverslagen, het inspreken van moed en brengen van hoop voor de bevolking in bezet gebied, was het bericht van de capitulatie op 4 mei geen verrassing. Het was de finale van een lange reeks bevrijdingsuitzendingen.

Op in.beeldengeluid.nl zijn uitzendingen van Herrijzend Nederland en Radio Oranje terug te luisteren.

Bas Agterberg

Het muzikale geheugen van de geluidsfabriek: over muziek voor radio en televisie

Dinsdag 24 september aanstaande organiseert de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk zijn publiek toegankelijke ledenavond. Deze staat ditmaal in het teken van de muziek voor radio en televisie.

Vanaf de oprichting van de omroepverenigingen in 1925 werd er muziek uitgezonden.
Het grootste deel hiervan betrof live-uitzendingen, waarvoor meestal muziek moest worden gecomponeerd of gearrangeerd. Weinig bekend is dat het leeuwendeel van de daarvoor gebruikte bladmuziek is bewaard. Deze collectie – de grootste verzameling bladmuziek in ons land – bevindt zich in de kelder van het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum.

De muziek die hier wordt beheerd, bestrijkt vrijwel alle genres en geeft een beeld van de muziek die de luisteraars en de kijkers decennialang via radio en tv tot zich hebben genomen. Van The Ramblers tot Floris, van Boy Edgar tot Kees Andriessen, van Dolf Karelsen tot Pi Scheffer.

De_Ramblers_van_190791
VARA-orkest De Ramblers

Sinds enkele jaren is een deel van de omroepbladmuziekcollectie online toegankelijk:
via Muziekschatten.nl zijn inmiddels ruim 60.000 titels te bekijken (en desgewenst te downloaden voor leden).
Jan Jaap Kassies, vanaf 1987 werkzaam bij deze collectie, zal één en ander vertellen over het omroepmuziek-productiebedrijf: de ensembles die de omroepen in dienst hadden, de musici, de componisten en arrangeurs, etc. Ook zal hij ingaan op enkele bijzondere vondsten die de afgelopen jaren opdoken, o.a. van de hand van Hilversumse componisten. Uiteraard zal het één en ander worden geïllustreerd met beeld- en geluidsfragmenten.

Datum: 24 september
Aanvang: 20.00 uur, zaal open: 19.30u
Locatie: Grote Kerk, Oude Torenstraat 6, Hilversum
Toegang: gratis

Een trilling van geestdrift

Bij het digitaliseren van stukken uit de bladmuziekcollectie van de Stichting Omroep Muziek (SOM) komen soms bijzondere vondsten aan het licht. Jeroen Kooij trof een reeks muziekstukken aan die te maken hebben met vliegtuigen, een trein en een onderzeeër.

De vroege jaren ’30 van de vorige eeuw waren voor de meeste mensen geen lolletje. Een diepe economische crisis en politieke instabiliteit in heel Europa gingen ook in Nederland niet onopgemerkt voorbij. Wellicht daarom werden de weinige lichtpuntjes breed uitgemeten in de toenmalige media: radio, krant en bioscoop. Van Panorama tot Polygoon en van De Telegraaf tot de VARA was er ruim aandacht voor de technologische vernieuwingen die zeer tot de verbeelding spraken en de wereld wat kleiner maakten. Niet verwonderlijk dat daar ook muzikale aandacht voor was en tijdens het digitaliseren van de bladmuziek van de omroep zijn daar aardige voorbeelden van opgedoken.

K-XVIII puzzel

Pelikaan

Dit verhaal begint als de KLM in 1933 besluit om te proberen de kerstpost naar Nederlands-Indië sneller te bezorgen. De driemotorige Fokker F-XVIII met registratie PH-AIP, genaamd Pelikaan, lukte het in recordtijd van vier dagen naar Batavia te vliegen, waar hij op 22 december aankwam. Het toestel was in allerijl aangewezen om een defecte Fokker F-XX te vervangen, dus het was niet eens speciaal geprepareerd voor deze lange vlucht. 20.000 Mensen waren aanwezig op een mistig Schiphol toen het toestel terugkeerde uit de Oost op Oudejaarsdag en een veelvoud daarvan was aan de radio gekluisterd. Een deel van de post maakte zowel de heen- als de terugvlucht mee en was bestemd voor verzamelaars van de speciale postzegels en -stempels. Gezagvoerder Iwan Smirnoff en zijn bemanning werden benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Niet zo vreemd dus dat verschillende componisten een Pelikaan Marsch maakten. Zo ook de kapelmeester van het 5e Regiment Infanterie, Jan Roelof van der Glas, die het stuk opdroeg aan één van de piloten, zijn schoonzoon Piet Soer (die in 1935 zou verongelukken met de Fokker F-XII “Leeuwerik”). Zowel de KRO als de VARA schaften zich een exemplaar aan en als SOM-050644 wordt het thans gedigitaliseerd.

Diesel-elektrische

Op 15 mei 1934 introduceerden de Nederlandse Spoorwegen een revolutionaire nieuwe trein: de DE-III. Dit driedelige treinstel beschikte over een twee dieselmotoren van 410 pk die elk een generator aandreven, welke op hun beurt de stroom leverden voor de elektrische motoren in de draaistellen. De DE-III was geïnspireerd door de Duitse Fliegende Hamburger, en was bedoeld om de stoomtractie te vervangen op het Middennet: van Utrecht naar Arnhem, Eindhoven, Amsterdam Weesperpoort, Den Haag Staatsspoor en Rotterdam Maas. De treinstellen werden gebouwd door de vaandeldragers van de vaderlandse spoorwegindustrie Werkspoor, Beijnes en Allan, met elektrische installaties van Smit en Heemaf, ook al hadden de meeste stellen Duitse dieselmotoren. De “diesel-elektrische”, zoals de trein al snel in de volksmond heette, was een opvallende verschijning met zijn lichtgrijze livrei, zilveren dak en schortplaten en rode biezen, en niet te vergeten een gestroomlijnde kop die bijna identiek was aan een vallende druppel. Gezeten in een modern doch eenvoudig en smaakvol interieur kon het publiek met 125 km/u door de polder snorren, en men maakte daar massaal gebruik van. “Diesel” was al snel het nieuwe toverwoord. De firma Adelaar uit Wormerveer bracht een waspoeder op de markt onder de naam Diesel en naar verluidt schijnen er zelfs Diesel-sigaren geweest te zijn. Het is dan ook niet meer dan logisch dat er ook een Dieselmarsch geschreven werd, en wel door Will van Dijk die het in 1934 opdroeg aan de NS en nu als SOM-050974 geselecteerd is voor digitalisering. De treinstellen hebben het uiteindelijk volgehouden tot 1964 en rond die tijd is ook het zeeppoeder verdwenen. Treinstel 27 is bewaard gebleven in Het Spoorwegmuseum in Utrecht.

Uiver

Voor de Londen-Melbourne luchtrace die op 20 oktober 1934 begon, besloot de KLM zich in de schrijven met een spiksplinternieuwe Douglas DC-2. In tegenstelling tot de andere deelnemers, die deels op pad gingen met speciaal voor snelheid ontworpen vliegtuigen, deed de KLM met een verkeersvliegtuig mee, aangezien zij het beschouwde als slechts een verlenging van de dienst naar Batavia en dus ook passagiers en post meenam. Gezien de einduitslag kreeg deze nuchtere opstelling misschien een extra dramatisch tintje, maar de KLM wist zich natuurlijk wel verzekerd van haar vaste steunpunten langs de route voor een vlotte bevoorrading van benzine en olie. De PH-AJU “Uiver” werd natuurlijk geestdriftig onthaald bij de landing in Batavia, maar toen moest het echte drama nog beginnen. Boven Noord-Australië raakte de bemanning de weg kwijt in zeer slecht weer en kon met behulp van de bevolking van Albury een geslaagde noodlanding maken op een paardenrenbaan. Dezelfde bevolking liet zich van zijn meest sportieve kant zien door het vliegtuig de volgende ochtend met touwen uit de dikke modder te trekken, waardoor de “Uiver” alsnog de tweede plaats in de snelheidsrace en de eerste plaats in de handicaprace in de wacht kon slepen. Het thuisfront volgde de wedstrijd op de voet, met radioverslagen, extra krantenedities en drommen mensen bij het KLM-gebouw in Den Haag. Minister-president Colijn sprak over “Een trilling van geestdrift” toen hij de bemanning in Melbourne opbelde om hen te feliciteren. Bij terugkeer op Schiphol op 21 november was de VARA aanwezig, alsook duizenden mensen die goed geld hadden betaald om het toestel met eigen ogen te kunnen zien. Willy Schootemeyer componeerde de Uivermarsch, zonder te vermoeden dat het vliegtuig reeds op 20 december zou verongelukken in Irak. Een tweede “Uiver” staat tegenwoordig in Lelystad en als SOM-051228 leeft in ieder geval de muziek voort.

Onderzeeër K-XVIII

Het volgende muziekstuk op rij dat uit de kelders boven kwam drijven, betrof de K-XVIII Marsch van de hand van Eddy Kila. Dit was een ode aan de nieuwe onderzeeboot K-XVIII die op 14 november 1934 vertrok naar zijn werkterrein. De letter “K” stond voor Koloniën en gaf al aan dat de boot bestemd was voor dienst in de tropische delen van het koninkrijk. De boot legde onderweg in veel havens aan voor vlagvertoon en haalde zo telkens weer de kranten. Via West-Afrika, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Australië kwam de boot op 11 juli 1935 in Soerabaja aan. Halverwege de overtocht fungeerde de K-XVIII als radio-baken voor de Fokker F-XVIII “Snip” tijdens de eerste rechtstreekse KLM-vlucht van Amsterdam naar Curaçao. Nodeloos te vermelden dat de Snip ook al de nodige aandacht kreeg van pers en radio. Onderweg werden tevens filmopnamen gemaakt voor de documentaire Met de Hr. Ms. Onderzeeboot K-XVIII de wereld rond en er werd over de reis zelfs een boek geschreven door Max Wytema. Een deel van de Snip is tegenwoordig nog te bewonderen op Curaçao, maar met de boot liep het minder goed af. Na aanvankelijke successen tegen de Japanse vloot, begin 1942, moest het beschadigd naar Soerabaja terugkeren en viel het daar in Japanse handen. Zij hebben het gebruikt als drijvend luchtaanvalsalarm in de Straat Madoera, waar het in 1945 door een Britse onderzeeboot getorpedeerd werd.


Het lijkt misschien allemaal wat overdreven in onze moderne en snelle tijd, maar het is in ieder geval wel apart dat we een tastbaar bewijs hebben van onze geschiedenis, die ook weer hoorbaar gemaakt kan worden.

Jeroen Kooij