Taboes aansnijden en sterke formats maken vanuit creatieve competitie

Zeventig jaar Nederlandse televisie

door Bas Nieuwenhuijsen

Op 2 oktober 1951 was er voor het eerst een ‘officiële’ landelijke tv-uitzending te zien in Nederland, onder auspiciën van de NTS. Hoe heeft het medium televisie zich sindsdien ontwikkeld? En is het geworden wat bijvoorbeeld pionier Erik de Vries ervan had verwacht? Een gesprek met Sonja de Leeuw, emeritus-hoogleraar Nederlandse televisiecultuur in internationale context aan de Universiteit Utrecht, over 70 jaar tv.

Experimenten met televisie waren er al veel eerder dan 1951. Internationaal en ook in Nederland werden verschillende systemen beproefd, aanvankelijk vooral mechanische, waarbij veelal gebruik werd gemaakt van een Nipkowschijf. Gaandeweg de jaren 1920-’30 verdrongen elektronische systemen de mechanische. In Nederland experimenteert Philips hiermee. Pionier Erik de Vries, die op het Natuurkundig Laboratorium van Philips werkte, was er vanaf het begin in 1935 bij betrokken.

Kort na de Tweede Wereldoorlog werd televisie een massamedium in onder meer de Verenigde Staten. “Het kwam hier wat later op gang”, zegt De Leeuw, “maar Nederland was zeker niet de laatste in Europa op dit gebied. Men was er direct na de oorlog nog niet klaar voor. Philips wilde wel, maar in de politiek waren er veel conservatieve stemmen. Televisie werd vanuit een ideologisch perspectief bekeken: was het niet slecht voor mensen? En waar zou je dat nieuwe medium moeten onderbrengen? De omroepen stonden destijds ook niet te trappelen, nieuws op televisie bijvoorbeeld mocht het radionieuws niet gaan verdringen. Erik de Vries heeft het toch doorgedrukt.”

Eigenlijk was ‘Hilversum’ ook in 1951 nog niet klaar voor het nieuwe medium. De Leeuw: “Het vak werd vooral in de praktijk geleerd. De omroepen keken ook de kunst af in het buitenland, met name bij de BBC. En ze haalden mensen van de radio om tv te gaan maken, de regisseurs bijvoorbeeld. Het heeft lang geduurd voordat filmregisseurs televisie gingen maken. Nederland kende niet zo’n sterke filmcultuur, en er is lange tijd niet nagedacht over televisie als een visueel medium, waarvoor je met beelden een verhaal vertelt. Drama bijvoorbeeld was theater, dat werd heel toneelmatig beschouwd.” Toch is er wel een ‘Nederlandse’ tv-beeldtaal herkenbaar, vindt De Leeuw. “Die is vooral sober, niet overdadig, en gestileerd, efficiënt. Prachtig vond ik bijvoorbeeld de serie A’dam – E.V.A. van Robert Alberdingk Thijm en Norbert ter Hall, omdat daarin deze kenmerken te zien zijn in combinatie met een sterk visuele stijl waarbij de camera een speler is geworden.”

Televisiecultuur

In de afgelopen 70 jaar is er een eigen, Nederlandse televisiecultuur ontstaan, vindt De Leeuw, die samenhangt met de Nederlandse cultuur in bredere zin. “Cultuur associeer ik met identiteit. De Nederlandse cultuur is antiautoritair. We hebben dan ook geen staatsomroep, die van bovenaf wordt gereguleerd. Wij hebben een publiek bestel met omroepen die vanuit een bepaalde ideologie werken. Een staatsomroep kan ook verschillende groepen en standpunten laten horen, maar hier doen we dat vanuit een onderlinge, creatieve competitie. Dat is minder paternalistisch. Wij snijden op tv ook wat makkelijker taboes aan dan in het buitenland gebeurt, bijvoorbeeld als het gaat om seksualiteit, geloof of de monarchie.”

De publieke omroepen hebben in de loop der jaren ook veel producties van buiten het bestel uitgezonden. “Vrije producenten, regisseurs, auteurs en noem maar op hebben veel bijgedragen. Mede dankzij hen en hun ondernemerschap is hier een sterke formatindustrie ontwikkeld, met formats die in wezen internationaal zijn, die dus goed kunnen ‘reizen’.” En sinds meer dan dertig jaar hebben we commerciële televisiestations. “Die bieden uitstekend nieuws en goede talkshows, en verder vooral veel amusement. Hun dramaproducties vind ik erg genrematig. Maar ook zij hebben, vanuit hun ondernemerschap, sterke formats ontwikkeld, zoals Big Brother.”

Idealisme en profilering

Wat De Leeuw betreft zouden de publieke omroepen zich beter mogen profileren, maar niet meer langs de lijnen van de oude verzuiling. “Ze moeten zich herbezinnen en zich beter gaan onderscheiden van commerciële zenders. Ze hebben een heldere identiteit nodig en moeten talent voeden, inzetten op onderzoeksjournalistiek, goed drama, betere talkshows met betere gasten. Kijk bijvoorbeeld naar Op1. Die presentatieduo’s zijn leuk, maar het publiek weet volgens mij niet dat ze steeds van andere omroepen zijn. Hun achtergrond, de identiteit van hun omroepen is niet meer herkenbaar, ook al vertegenwoordigen ze wel een bepaald geluid, of het nou van rechts is of juist avant-gardistisch. De omroeplogo’s zijn wel in beeld, maar wat zegt het de mensen nog? De wereld is niet meer via die zuilen georganiseerd.”

Hoe zou pionier Erik de Vries nu naar het medium kijken? De Leeuw, die een biografie over hem schreef: “Hij had niks met de omroepzuilen, daar was hij op tegen. Hij kreeg dan ook geen vaste plek in Hilversum en werd al gauw aan de kant geschoven. Hij zou nu teleurgesteld zijn over televisie, want hij had grote idealen. Televisie was voor hem een cultureel medium, het moest mensen samenbrengen, tot uitwisseling en wereldvrede leiden. Maar van een goede reportage kun je wel wat leren, maar je wordt er niet echt extra tolerant van. Het blijft niet hangen. De tv brengt ons vooral samen rond grote live-evenementen” Daarmee wil ze zeker niet zeggen dat televisie niets teweegbrengt of niks met ideologie te maken heeft. De Leeuw: “Televisie geeft ons een blik buiten ons eigen milieu, onze straat, over grenzen heen. En het bouwt mee aan ons collectieve geheugen, het zegt iets over onze identiteit. De manier bijvoorbeeld waarop de Tweede Wereldoorlog in beeld is gebracht, toont hoe we ons die periode collectief willen herinneren. Het is een beeld vanuit een bepaald perspectief. Wat dat betreft vind ik het nogal hypocriet dat de hoofdredacteur van het Journaal zijn mensen niet wil laten aanschuiven bij De Vooravond, omdat dat opiniërend is. Alsof het Journaal geen keuzes maakt.”

In memoriam: Co de Kloet (1932-2020)

Co was een geweldige chef en vriend. Hij leerde mij het radiovak snel en kundig in een tijdperk dat er nog geen School voor de Journalistiek bestond. Ik leverde op zeer jonge leeftijd tekstbijdragen aan het programma Multiplex, die door Co werden beoordeeld. Aan het doorwrochte anderhalf A-viertje tekst had ik de nodige tijd besteed. Co wierp er een korte blik op, gaf het terug en zei: dat kan korter. Het inkorten vergde bijna dezelfde tijd, maar trots leverde ik nu een halve pagina in. Toen ik later het draaiboek zag met mijn drieregelige bijdrage, voelde ik twee reacties: een tik voor het voorhoofd, maar later het besef: ja, zo kan het ook. Co werd hierdoor niet alleen mijn leermeester maar ook die van de stagiaires die later bij mij kwamen werken.

Halverwege de jaren zestig ging ik van de afdeling Lezingen over naar de jeugdafdeling. Nu leerde ik dankzij Co alle facetten van het vak van nabij kennen: van de geheimzinnige jacht op primeurs zoals hij die binnenhaalde met nieuwe Beatles-nummers in zijn geweldige en door Herman Stok gepresenteerde hitprogramma Tijd voor Teenagers tot en met tijdens muziekshows het publiek enthousiast laten applaudisseren door met een opgerold draaiboek boven het hoofd te zwaaien.

We bedachten het programma Vragenvuur waarbij bekende Nederlanders openhartig vragen van middelbare scholieren beantwoordden. Maar de redacteuren van de jeugdprogramma’s waren verslaafd aan een bijzonder kaartspelletje Boerenbridge waarbij als erecode gold dat een eenmaal begonnen spel altijd afgemaakt diende te worden ongeacht montagetijden of afspraken buiten de deur. Daardoor kwamen we te laat bij de minister van Justitie Samkalden en de legendarische Ajax-trainer Rinus Michels. Die strafte ons genadeloos door tot drie keer toe op willekeurige vragen eerst te antwoorden: ik was hier op tijd. Chef Co bleef uiterlijk onbewogen.

Januari 1974 ging het politieke radiocafé In de Rooie Haan van start. In de foyer van de VARA-studio werd met schotten een afbreekbaar en kwetsbaar maar echt café gebouwd. Dat moest voor een vergadering van het NOS-bestuur worden afgebroken. De ontwerper raadde dat sterk af. Onder leiding van Co en mij volgde er een bezetting door VARA-medewerkers. Voorzitter André Kloos trommelde uit het gehele land het VARA-hoofdbestuur bij elkaar en Co en ik, beiden ook lid van de Ondernemingsraad, moesten in de vergaderzaal komen. Voorzitter Kloos zegt maar één vraag te hebben: wie is hier de baas? Chef Co aarzelt geen seconde: Dat zijn jullie. Daarop zegt de VARA-voorzitter: Dan wordt nu het café afgebroken. Co reageert onbewogen en direct: Dat nu net niet. Het complete VARA-hoofdbestuur verliet daarop het gebouw. Er zullen maar weinig chefs zijn geweest die dit zo gedaan hadden.

Co was een geweldige chef die je je gang liet gaan zo lang het goed ging. Daarom kwam er ook het befaamde jeugdprogramma Uitlaat met Wim de Bie en Kees van Kooten. Daarom kon In de Rooie Haan ook ongeremd victorie kraaien. Maar Co was meer dan chef. Ook op zijn manier een trouw vriend. We hadden veel contact over de lokale politiek. Hij volgde Leefbaar Hilversum en ik de onnavolgbare avonturen van het legendarische Dorpsbelangen en zijn drie wethouderschappen. En altijd met humor. Die vriendschap bleek ook sterk de afgelopen jaren met onze 7 man sterke Boerenbridgeclub die elke eerste maan-dag van een nieuw kwartaal weer hartstochtelijk, net als vroeger, met veel plezier, hapje en drankje oude herinne-ringen ophaalde. Maar na Kees Schoonenberg, Frans van Mastrigt en Joop Söhne zal ook Co niet meer verschijnen.

Zondag 29 november, twee dagen voor zijn overlijden, namen we bij Co thuis afscheid. Het duurde langer dan gedacht, ook al was Co zeer verzwakt, maar hij was wel helder van geest en lachte. De gevoelens op de Korten-hoefsedijk waren gemengd, maar wat overheerste: een zeer apart iemand verlaat ons. Co was een geweldige chef en vriend.

Jan Nagel

In memoriam: Fred Bredschneyder (1927-2020)

Dingen die je in je jonge jaren deed blijven soms levenslang aan je plakken. Dappere Dodo is er zo-eentje: die bleef altijd kleven aan zijn schepper Fred Bredschneyder. Op 14 september overleed Fred, 93 jaar oud. Maar naast Dodo was er nog veel meer.

Fred ging in 1945 werken bij dagblad De Tijd: correctie en redactie. Daarnaast was hij jarenlang actief als acteur, regisseur en cabaretier in de amateur-theaterwereld. In 1954 (hij was toen 27 jaar) kwam hij in dienst van de KRO, waar hij de zesde medewerker bij de televisiedienst was. Een collega bij De Tijd waarschuwde hem nog voor zijn overstap: die televisie, dat zou toch niks worden!
Betrokken bij de toneel-, amusements- en jeugduitzendingen bedacht hij het concept en de tune van de jeugdserie Dappere Dodo, in 75 afleveringen uitgevoerd door Bert Brugmans Marionettentheater. En hij bedacht er de allitererende titel van: hij vond de naam Dodo in de heiligenkalender van de R.K. Kerk.
Er zijn nog steeds legio mensen die het herkenningslied van de serie kunnen meezingen, dat begint met: “Jongens, meisjes, kijk nu goed wat die Dappere Dodo doet. ’t Is een jongen met veel pit, waar geen greintje kwaad in zit.”

Later werd Fred Bredschneyder hoofd Filmzaken en was verantwoordelijk voor de aankoop van series als De Wrekers, Bonanza, Ivanhoe en Alfred Hitchcock presents, voor verfilmde boeken van Graham Greene en Jan den Hartog, en voor filmseries rond bekende acteurs. Verder deed hij regie, dan wel redactie of productie voor diverse tv-pro-gramma’s, maakte documentaires over de Deltawerken en tv-portretten van zangers, dirigenten en componisten uit de opera- en operettewereld: die leidde hij zelf in met interviews met de hoofdpersonen, onder wie Robert Stolz, Rudolph Schock, Johan Heesters, Margit Schramm. Van 1969 tot 1982 maakte hij deel uit van de redactie van het tv-programma Voor een briefkaart op de eerste rang. In 1985 ging Fred met de vut, maar bleef nog als publieks-begeleider meewerken aan de KRO-programma’s Waku Waku, Applaus en Hans van Willigenburgs programma’s over de theaterkunsten.

Daarnaast propte hij zijn enorme muzikale kennis en bevlogenheid in een hele reeks boeken, zoals Elseviers grote boek voor operette en musical, TV-operettegids, Operette in Nederland, De zingende film, en een boek over Robert Stolz (met wie hij bevriend raakte) en een over Joseph Schmidt. En dan gaf hij ook nog lezingen over opera en film bij het Holland Festival in 1994 en 1995, maakte het tijdschrift van De Zonnebloem, werkte mee aan het maandblad Filmforum, was lid van de Artistieke Adviesraad van de Hofstadoperette, was redactielid van het parochieblad van de Verrijzeniskerk in Hilversum. Kortom: “een actief en bevlogen leven”, zoals het in de overlijdenskaart stond.

Ja, en dan ook nog Aether. In 2002 kwam Fred de Aether-redactie versterken. Een jaar later werd hij hoofdredacteur, een functie die tevoren niet had bestaan. Tijdens zijn ‘bewind’ (tot 2016) veranderde het blad: er kwamen minder puur-technische onderwerpen, het aandachtsterrein werd breder en journalistieker, en het blad verscheen geheel in kleur. Fred schreef tal van bijdragen aan het blad, over uiteenlopende onderwerpen (ja, natuurlijk ook over Dappere Dodo..) en veel cd- en dvd-recensies waarbij zijn voorkeur voor opera en operette niet verborgen bleef.

Een leven vol televisie en niet minder vol muziek. Bovenaan zijn overlijdenskaart stond dan ook: “Het slotakkoord heeft geklonken, laten de engelen het nu overnemen…”

Willibrord Ruigrok

In memoriam: Jan Vos (1946-2020)

Jan Willem Vos werd in 1946 in Hengelo (Ov.) geboren. Na zijn studie politiek en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam kwam hij begin jaren zeventig van de vorige eeuw in dienst bij de publieke omroep. Samen met collega’s Harrie Vossen, Piet Tullenaar en Sal Witteboon vormde hij het Historisch Archief. Deze NOS-afdeling had tot doel om aanwezig plaat- en beeldmateriaal voor programmamakers te ontsluiten voor hergebruik. Men was aangesteld om een bepaald specialisme te vertegenwoordigen. Zo werd Jan ingezet voor politiek, Piet voor onder andere actualiteiten en Harry bijvoorbeeld voor literatuur. Aansluitend volgde zijn benoeming tot waarnemend chef Fonotheek. Jan werd vervolgens voorzitter van de NOS-OR, vrijgesteld als vertegenwoordiger van Fonotheek en Historisch Archief. Hierdoor vocht hij menig ‘robbertje’ uit met onder andere NOS-voorzitter Erik Jurgens.

Na twee jaar werkzaamheden voor Personeelszaken maakte hij een nieuwe carrièreswitch. Als gevolg van een reorganisatie ontstond de nieuwe afdeling Dienst Uitvoerende Kunstenaars (DUK), het grootste muziekcentrum van Europa met wel 500 medewerkers. Jan werd eerst benoemd tot interimmanager, later omge-zet in een vaste functie. Of zoals Jan dat in de wandelgangen noemde ‘chef koren en orkesten’. In die hoedanigheid gaf hij leiding aan medewerkers en kwam hij in contact met diverse dirigenten. Zijn voorliefde voor klassieke muziek was alom bekend. De autoradio stond altijd aan, net als bij de Britse inspecteur Morse. In een ver verleden hield hij kennelijk ook van popmuziek, gezien zijn betrokkenheid als mede-organisator bij de Easy Beat Club in Hotel Deters in Hengelo. Menig muziekuitvoering heeft hij gevolgd. Soms zelfs een concert in het buitenland (Spanje). Ook stond Vos in 1986/87 aan de wieg van het tijdschrift Concertpodium, met Renso van Bergen voor de journalistieke ondersteuning. Hij was degene die in 1989 Edo de Waart als chefdirigent van het Radio Filharmonisch Orkest aantrok.

Een jaar eerder was de verzelfstandiging van de NOS een feit door het Facilitair Bedrijf af te splitsen in het NOB (Neder-lands Omroepproduktie Bedrijf). Van 1989-1990 was hij hoofd Interne Mobiliteit NOB. Later zag hij op deze turbulente periode terug als ‘chef ontslag’. Aansluitend volgde in 1990 zijn benoeming tot directeur van het Audio Visueel Archief Centrum (AVAC). Hierdoor viel onder andere ook het Film- en Beeldbandarchief onder zijn leiding. Dit bedrijfsonderdeel vormde samen met een drietal andere organisaties sinds 1997 het Nederlands Audiovisueel Archief (NAA).

In 1991 verving hij onbezoldigd museumdirecteur Kees Cabout. Cabout was een van de initiatoren van het historisch kwartaalschrift Aether. De grootste verdienste van Vos was de totstandkoming van een nieuwe behuizing van het Nederlands Omroepmuseum aan de Oude Amersfoortseweg. Deze behuizing van circa 3000 m2 – samen met de collectie van het voormalig Fonografisch Museum – werd in 1993 betrokken. De opening werd verricht door Hedy d’Ancona, minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Talloze museumbezoekers wisten de weg naar Hilversum te vinden. Met de activiteiten van het Omroepmuseum legde Vos de ‘fundering’ van het huidige Beeld en Geluid. Na de sluiting van het mu-seum eind 2002 moest de stichting Vrienden van het Omroepmuseum omgezet worden in de stichting Omroephistorie. Jan verrichtte secretariële ondersteuning. Deze organisatie was niet alleen verantwoordelijk voor de opzet en uitgifte van het kwartaalschrift. Enige jaren eerder verscheen ook de introductie en jaarlijkse uitgifte op grammofoonplaat van Stemmen des tijds, later ook leverbaar op cd. Bovendien verzorgde Vos jarenlang, ook na zijn pensionering, de notulen van de redactievergaderingen van Aether.

Slechts bij uitzondering verschenen redactionele bijdragen van zijn hand. Bijvoorbeeld over de sluiting van het museum (66/13) of ‘ontwerp nieuwbouw aangepast’ (64/23). In het boek Hilversum en de omroep t.g.v. het 20-jarig bestaan van de Hilversumse Historische Kring Albertus Perk verscheen zijn bijdrage ‘het muzikaalste dorp ter wereld’ (1993). Hoogte-punten van Aether: een dik nummer bij de opening Beeld en Geluid (2007) en het 100ste nummer (2011), een prestatie van formaat t.g.v. het 25-jarig bestaan. In januari 2016 ontving hij voor zijn verdiensten voor de mediastad uit handen van wethouder Wimar Jaeger ‘De Mediakorrel’. Kortom een bescheiden doch strijdbare man op de achtergrond met gevoel voor droge humor, die alleen als manager Divisie Muziek NOB en als directeur van het Nederlands Omroep Museum zicht-baar was. Vermoedelijk vanwege zijn sociale achtergrond als Woodbrooker voelde Vos zich aangetrokken tot het ‘vak-bondswerk’. Ondanks dat de laatste periode van zijn leven zich kenmerkte door ziekte bleef hij optimistisch.

Arno Weltens

Dolf van der Linden, een maestro van eenzame klasse

door Cees Mentinck

“Meneer Van der Linden, zoudt U een ongeveer veertig man sterk amusementsorkest voor ons kunnen samenstellen. . . ?”
Wij schrijven augustus 1945 en het was bepaald geen gemakkelijke opgaaf, waarvoor de directie van Herrijzend Nederland – de radio in die dagen – Dolf van der Linden had geplaatst. Maar voor Dolf betekende het dat een reeds lang gekoesterde wens nu plots in vervulling ging. Een groot orkest was altijd zijn ideaal geweest, een ensemble dat meer zou zijn dan alleen maar ‘dansorkest’. Een formatie met een allesomvattend repertoire. Een orkest dat door zijn grote mogelijkheden in staat zou zijn de kloof tussen lichte en ernstige muziek te overbruggen. Een ensemble, geconcentreerd rond een frontline van strijkers.

Musici reisden van heinde en verre naar Hilversum, waar Dolf zich de ‘tandjes’ zwoegde en zweette om naast het samenstellen van een uitgebalanceerd symfonisch orkest, componerend en arrangerend voldoende repertoire te realiseren om zo spoedig mogelijk muzikaal los te gaan. Manny Oets (piano), Benny Behr (viool), Sem Nijveen (viool, trompet), Jos Cleber (trombone), Bill van den Heuvel (slagwerk), Jan Corduwener (viool, accordeon), Tony van Hulst (gitaar, zang) en Cees Verschoor (altsaxofoon) zijn enkele musici die aan de wieg van het orkest stonden. In november 1945 klinkt het door Van der Linden gecomponeerde Parklane Serenade, genoemd naar de club waar hij speelde voor de Canadese bevrijders, voor het eerst in de ether. Het zal decennialang de begin- en eindtune zijn van de ontelbare radio- en televisie-uitzendingen en concerten in het land van het Metropole Orkest. Door Stan Haag wordt de compositie voorzien van een zelden gezongen Nederlandse tekst. Tot zijn pensionering in 1980 zal Dolfs naam in één adem genoemd worden met die van het orkest, waaraan hij ziel en zaligheid verpandde.

Vliegende start
De 1 meter 94 lange jongeman hoeft niet in militaire dienst, hij is te mager. Niet zo vreemd in die moeilijke jaren ’30 van de vorige eeuw. Dolf zorgt voor brood op de plank. Hij sluit zich aan bij The Jolly Boys, een accordeongroepje dat auditeert bij de VARA en niets meer zal vernemen van de rode omroep. De Boys maken in 1933 hun radio-entree bij de KRO en ontvangen 40 gulden, een vermogen. Het blijft bij een eenmalig optreden. Intussen schrijft Dolf composities en stuurt ze naar organist Cor Steyn; die neemt ze op repertoire en vult er zijn radiokwartiertjes mee. Hij stelt cursussen piano en accordeon samen, die Dolf als ‘directeur’ van het Hollandsch Instituut voor Piano Onderwijs (HIPO) aanbiedt.
Tussendoor is hij als pianist werkzaam in dancings en café chantants, en denkt dat er meer deuren opengaan wanneer hij pseudoniemen gebruikt. Zo duikt hij als Dave Lincy op in programma’s bij de NCRV. Hij ontmoet Gerritje (Gerda) Goudappel, wordt stapelverliefd, trouwt (een ‘motje’) en is zich bewust nu aan het hoofd van een gezin te staan. Bij het Hongaars orkest Lakatos, een Italiaans ensemble en bij het orkest van een Russisch (Oh-la-la) Ballet beroert hij de 88 toetsen, en stort zich daarnaast op het schrijven van arrangementen. Dat doet Dolf voor het VARA-Radio-Orkest onder leiding van Jan Vogel en het AVRO-Dansorkest van Hans Mossel. Voor de formatie van Eddy Meenk schrijft de in Vlaardingen geboren muzikant Prelude en wordt de vaste pianist. Eenmaal bij Meenk is er geen houden meer aan. De muzikantencarrière van Dolf van der Linden heeft een aanvang genomen.

Alle genres
In zijn lange loopbaan componeert Van der Linden honderden stukken, schrijft filmmuziek en operettes. De bevlogen dirigent en zijn orkest zijn in de jaren ’50 bijna dagelijks te beluisteren in miljoenen huiskamers, waar de televisie niet of nauwelijks zijn intrede heeft gedaan. Uit zijn geschiedenis zal blijken dat hij en zijn in 1945 opgerichte orkest ‘alles’ speelt: swing, symfonische jazz, ballads, lichtklassiek, musical en pop. Stop! Laten wij de chronologische volgorde van de historie nog even aanhouden. Eind jaren ’30 stelt de AVRO hem aan als arrangeur-componist. De multi-instrumentalist is dan uitgebreid op tournee geweest – ook in het buitenland – met Eddy Meenk and his Radio Stars, ook wel geafficheerd als “L’orchestre hollandais du Poste de Hilversum” en sluit zich aan bij Johnny Fresco & his Swing Aristocrats. Dan is de mobilisatie een feit en ontbrandt de Tweede Wereldoorlog.

Arrangeur
Hij verhuist naar Hilversum en schrijft bewerkingen voor het Amusementsorkest van Elzard Kuhlman, ook voor diens Vaudeville-Ensemble, De Vagebonden en het AVRO-Dansorkest waar Klaas van Beeck als leider Hans Mossel heeft vervangen. De besnorde muzikale ‘alleskunner’ maakt zich tijdens de oorlogsjaren los van de Nederlandsche Omroep, die in 1941 de taken van de opgeheven omroepen heeft overgenomen. Voor deze foute organisatie schrijft hij wel arrangementen, dat doen ook onder meer Tom Erich, Willem Ciere en Rudolf Karsemeijer. Dolf schnabbelt (voor aardappelen en brood) en speelt piano bij revuegezelschappen. Hij, Klaas van Beeck en veel andere omroepmedewerkers worden in 1944 via Kamp Amersfoort gedeporteerd naar Duitsland.
In Kamp Bethel wacht dwangarbeid. Door een zwaar ongeluk belandt hij in het ziekenhuis. Dolf, die vanwege de ernstige kwetsuren niet kan werken, wordt bij Gronau over de grens gezet. Dat zijn blazoen ongeschonden wordt geacht, blijkt wanneer hem na de Bevrijding wordt gevraagd een groot orkest te formeren. Enkele jaren later gaat Dolf weer door de molen; hij wordt van alle smetten gezuiverd. In tegenstelling tot Theo Uden Masman en Dick Willebrands, zij en hun orkesten worden geschorst.

Breed inzetbaar
Nationale en internationale roem vergaren Dolf en het Metropole Orkest door het Eurovisie Songfestival. Hij dirigeert 18 inzendingen, waarvan 13 uit Nederland. Net als toen (Guus Jansen/Willy van Hemert) gezongen door Corry Brokken (1957), ’n Beetje (Dick Schallies/Willy van Hemert), Teddy Scholten (1959) en Dana’s All kinds of everything (Derry Lindsay/Jackie Smith) voor Ierland (1970) worden door hem festivalwinnaars. De leden van het Metropole Orkest zijn in dienst van de Nederlandse Radio Unie (NRU), ze treden op voor alle omroepverenigingen. Radiomedewerker Aad Bos, getrouwd met en gescheiden van Dolfs dochter Anneke, wordt aangehaald in de door Bas Tukker geschreven biografie van Dolf: “De door het Metropole Orkest verzorgde uitzendingen hadden doorgaans een lengte van een half uur tot drie kwartier. Meestal bestond zo’n programma uit kort instrumentaal werk, maar af en toe was er ook ruimte voor langere stukken, denk aan Rhapsody in Blue. In juli was het orkest een maandlang met vakantie. Om die periode te overbruggen, werden er in de weken die daaraan voorafgingen extra opnames gemaakt en ‘ingeblikt’, al gebruikte men destijds die term niet. ”
Het Metropole Orkest werkt ook mee aan amusementsprogramma’s die in de studio plaats vonden, zoals Steravond (NCRV) en Showboat en Plein 8 uur 13 (VARA).

Buitenland
Dolf van der Linden is in de jaren ’50 een ‘bijbeuner’ van jewelste. Er is een overweldigende belangstelling voor instrumentale achtergrondmuziek, te beluisteren in bioscopen en vliegtuigen én thuis, op de plaat. Oneerbiedig ‘muziek per strekkende meter’ genoemd. De elpees komen uit in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten op labels als Brunswick, Decca en Capitol; de componist bedient zich van diverse pseudoniemen: David Johnson, Paul Franklin en Nat Nyll. Zijn ensembles luisteren naar namen als Van Lynn and His Orchestra en Daniel De Carlo. Grootheden als de eerdergenoemde George Melachrino, en Ray Martin nemen met hun orkesten werken van de Nederlander op. Ook wordt hij in het buitenland een veelgevraagd gastdirigent. Klassieke muziek en musicalwerken dirigeert hij voor De Haarlemse Orkestvereniging, het latere Noordhollands Philharmonisch Orkest, het Gelders Orkest en de Groninger Orkestvereniging.

Nieuwe tijden
Vanaf 1962 breken er moeilijke tijden aan in Hilversum. De beatmuziek doet zijn intrede. De jeugd krijgt een stem in het muzikale kapittel. Dit betekent het begin van het einde van veel omroeporkesten. Een nieuwe tijd breekt aan, zonder de orkesten van Klaas van Beeck, Theo Uden Masman, Bep Rowold en Jos Cleber. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor het Metropole Orkest? De nieuwe muziek en nieuwe generatie muzikanten worden weggezet als “een voorbijgaand noncultuur-verschijnsel”, een misvatting. Ook de radio verandert, Dolf zal mee moeten of de winkel sluiten.
VARA-radioproducer Joop de Roo, echtgenoot van zangeres Greetje Kauffeld, blijkt ‘de reddende engel’. Hij bedenkt nieuwe radioprogramma’s met het Metropole Orkest dat the cream of the crop uit het buitenland begeleidt. Hij haalt moderne arrangeurs in huis (Jerry van Rooyen, Rob Pronk), opera- en operetteklanken klinken, en het programma Muzikaal Onthaal blijkt goed voor 800 radioshows. Metro’s Midnight Music – weer met Joop de Roo – is elke week laat op de radio te beluisteren. Wanneer 1980 nadert, het jaar dat Dolf met pensioen ‘moet’, heeft hij het moeilijk. Van der Linden moet zijn orkest uit handen geven. Dat doet pijn. Opvolger Rogier van Otterloo is een ‘andere’ dirigent, ook een ‘andere’ componist met ‘andere’ ideeën. Toch is het goed dat Dolf ‘van Drees gaat trekken’. Vanaf zijn 60ste heeft hij gezondheidsproblemen. Zijn hart begint te protesteren en er manifesteert zich de ziekte van Ménière die doofheid en evenwichtsstoornissen met zich meebrengt. In 1977 is er sprake van een kwaadaardige darmtumor. Hij praat er niet over. Tijdens Dolfs regelmatige afwezigheid nemen onder anderen Ruud Bos en Harry van Hoof het stokje als gast over. Op zijn 80ste verjaardag wordt Dolf naar de studio gelokt. Daar wordt hij toegezongen en dirigeert hij Parklane Serenade. Voor de laatste keer. Een aangrijpende gebeurtenis, te zien op YouTube.

Dolf van der Linden overlijdt op 30 januari 1999.
Afscheid van een maestro van eenzame klasse!

75 jaar bevrijding

Hoe klonk de bevrijding op de radio?

“Landgenoten, wij herhalen het bericht, waarop wij allen zo lang hebben gewacht. Veldmaarschalk Montgomery heeft aan generaal Eisenhouwer medegedeeld dat alle Duitse strijdkrachten in Nederland, in het Noord Westelijk gedeelte van Duitsland en in Denemarken met inbegrip van Helgoland en de Friese eilanden hebben gecapituleerd.” Zo hoorden de luisteraars van Herrijzend Nederland op 4 mei om 20.50u dat Nederland was bevrijd.

De radio was een belangrijke nieuwsbron in het verloop van de oorlog. Vanaf de landing van de Geallieerden in Normandië tot aan de Duitse capitulatie was er dagelijks nieuws over de ontwikkelingen. Hoe werd de bevrijding van Nederland verslagen op de radio?
Na de bevrijding van Antwerpen meldde premier Gerbrandy op 4 september 1944 op Radio Oranje dat “de Engelse troepen de Nederlandse grens overschreden hebben”. In de oorspronkelijke tekst stond “Engelse troepen naderen de Nederlandse grens”, Gerbrandy had de regels zelf aangepast. Het bericht werd vervolgens door de BBC overgenomen. De Nederlandse ANP-oorlogsverslaggever Robert Kiek deed er schepje bovenop door te melden “de bevrijding is geen kwestie van dagen, maar van uren”. De enthousiaste bevrijdingsroes die door de radio-uitzendingen uitbrak werd bekend als Dolle Dinsdag. De Engelsen bleken niet te komen en de bevrijding liet nog op zich wachten.

Herrijzend Nederland

Maastricht was op 14 september de eerste Nederlandse stad die bevrijd werd. Al snel volgde Eindhoven op 17 september. Kiek deed op 19 september verslag uit Eindhoven op Radio Oranje. In de uitzending sprak hij een lid van een verzetsgroep én een 13-jarige jongen die over het bevrijdingsfeest vertelde. In zijn scouting uniform had de jongen op een auto mee gereden door de stad. De bevrijding kwam zo ook voor luisteraars in bezet gebied steeds dichterbij.

“Hier is Herrijzend Nederland, de zender op vrije vaderlandse grond, op golflengte 420 meter met een proefuitzending voor alle Nederlanders in bevrijd of nog bezet gebied”, klonk het op maandag 2 oktober 1944.
Enkele weken later bracht Karel Nort vanuit Tilburg een bevrijdingsverslag op 4 november 1944. Acht dagen na de bevrijding organiseerde de stad een feestelijke bevrijdingsoptocht. Herrijzend Nederland zond dagelijks 10,5 uur uit, op zondag zelfs 14 uur.
Zo’n 80 fragmenten of uitzendingen tot aan de bevrijding zijn bij Beeld en Geluid bewaard. De collectie bestaat uit toespraken van ministers, de toespraken van directeur Henk van den Broek (alias de Rotterdammer) of Joop Landré (alias de Fox) en diverse oorlogsverslagen. Daarnaast zijn er uitzendingen van de BBC en Radio Oranje, die vaak opnieuw werden uitgezonden via Herrijzend Nederland.

De reportagewagen van Herrijzend Nederland in 1945

De opmars van de Geallieerden in Nederland was in het najaar van 1944 gestopt bij de grote rivieren. Zuid-Nederland was bevrijd, in het voorjaar van 1945 begon de bevrijding van de rest van Nederland. “Tuesday March the 13th 1945 will become a historic day in the history of the Dutch people”, klonk het op de BBC toen koningin Wilhelmina in Zeeuws-Vlaanderen voet op Nederlandse bodem zette. Terwijl de steden in het oosten in rap tempo bevrijd werden, op 1 april Enschede, 3 april Hengelo op 10 april Deventer en 13 april Arnhem, bleef het westen van het land echter nog bezet. Duidelijk was ook de nijpende voedselsituatie. Zondagavond 15 april zond Herrijzend Nederland daarom een eerste noodroep uit. “Zij kunnen niet wachten”, meldde de rubriek ‘Nederland herrijst’ in een lange toespraak. In de opeenvolgende dagen werd de noodkreet opnieuw geuit.
In zijn boek ‘Hier Radio Oranje’ uit 1946 beschrijft Henk van den Broek hoe volgens hem de uitzendingen ertoe bijdroegen dat er op 24 april overeenstemming werd bereikt tussen de Duitsers en de Geallieerden om voedselpakketten af te werpen boven bezet gebied.

Nationale zender

De vraag blijft hoeveel mensen de uitzendingen van Radio Oranje of Herrijzend Nederland konden horen. De bevolking had in mei 1943 de radio moeten inleveren. Natuurlijk luisterden er mensen stiekem. Zij hadden hun radio verstopt en namen daarmee een groot risico. Herrijzend Nederland groeide de eerste maanden uit tot zo’n 120 medewerkers. De autoriteiten hechtten veel belang aan uitzendingen. Vooral voor de verzetskranten was de radio een belangrijke nieuwsbron. Ze meldden bij vrijwel ieder bericht de zender van herkomst.

Lange tijd waren er nog uitzendingen op de Hilversumse genazificeerde Nationale Omroep. Toen vanaf 15 april de zender een aantal dagen stil was, verschoof radio Herrijzend Nederland op 18 april naar de Hilversumse golflengte van 415 meter. De zendtijd werd nog eens verder uitgebreid tot 15 uur per dag. Er waren 13 dagelijkse nieuwsbulletins. Herrijzend Nederland was vanaf dat moment de nationale zender geworden. Na alle oorlogsverslagen, het inspreken van moed en brengen van hoop voor de bevolking in bezet gebied, was het bericht van de capitulatie op 4 mei geen verrassing. Het was de finale van een lange reeks bevrijdingsuitzendingen.

Op in.beeldengeluid.nl zijn uitzendingen van Herrijzend Nederland en Radio Oranje terug te luisteren.

Bas Agterberg

Hans Peters – muzikant-tv-producer-circusfan

Er zijn mensen die ‘eeuwige roem’ hebben vergaard doordat hun namen verbonden waren aan bepaalde radio- of tv-programma’s. Anderen, die eveneens een essentiële bijdrage aan die programma’s leverden, waren altijd enkele meters van de tv-lampen te vinden. Iemand die bij uitstek anderen kon laten schitteren was de onlangs overleden Hans Peters. Zoals hieronder zal blijken was één woord bij uitstek op hem van toepassing: veelzijdig.

Hans Peters (Nijmegen, 11 februari 1934) kreeg als kind gitaarles en later ook een paar jaar vioolles. Verder heeft hij zichzelf piano leren spelen. Hoewel hij geen echte opleiding had, was hij heel muzikaal en had een goed muzikaal gehoor. Ook had hij een grote repertoirekennis, zowel op het gebied van lichte als klassieke muziek en cabaret.

Peters doorliep de HBS en debuteerde als artiest bij het cabaret van Martie Verdenius. Hij werkte enige tijd voor Wim Kan, speelde halverwege de jaren ’50 korte tijd toneel bij Toneelgroep Studio en de Amsterdamse Comedie o.l.v. Rien van Nunen en trad vervolgens ca. tien jaar op in de formaties Triple Sec en het Poker Trio (met Ted de Braak en Piet Hendriks). Thuisbasis was café De Carrousel aan het Amsterdamse Thorbeckeplein. In de zomer, als er geen werk was in de kroeg en op de boten om met zingen en sketches geld te verdienen, verdienden Hans en Ted als reisleider de kost. Hij zong liedjes voor de radio en leverde in 1956 al tekstbijdragen aan het KRO-radioprogramma De Zonnebloem. In de jaren ’60 speelde hij gitaar bij Henk Elsink, met wie hij verschillende liedjes schreef.

Televisie
Vanaf de tweede helft van de jaren ’60 speelden de meeste activiteiten van Hans Peters zich in de televisiewereld af. Hij werkte o.a. mee aan programma’s rond Rudi Carrell, en was – samen met o.a. Carla Lammers – producer van het VARA-spelprogramma Eén van de Acht, met Mies Bouwman (rond 1971), één van de hoogtepunten in zijn loopbaan. Het brak indertijd alle kijkcijferrecords.
Sefira Peters, Hans’ echtgenote: ‘Hans heeft met veel beroemdheden gewerkt. Hij had altijd oog voor het vakmanschap van de artiest, maar wist ook intuïtief of een nummer een topnummer was of iets middelmatigs. Hij bekeek elke act, elk nummer met een professioneel en kritisch oog. Dat bleef hij ook doen toen hij niet meer werkte. Voor Toon Hermans, met wie hij bij Eén van de Acht had gewerkt, had hij tot het laatst van zijn leven een mateloze bewondering en hij was er trots op met hem te hebben gewerkt.’

Hij was als producer betrokken bij veel meer ‘grote’ programma’s, zoals die in die jaren werden gepresenteerd door bv. Koos Postema, Sonja Barend en Willem Ruis, eerst in de Willem Ruis Lotto Show en later de Sterrenshow in een grote circustent waarmee in 1985 door Nederland werd gereisd.
Hij werkte niet uitsluitend voor de VARA; zo schreef hij in de jaren ’80 teksten en liedjes voor de 1-2-3-Shows met zijn oude kompaan Ted de Braak (KRO). Muzikaal werkte hij vaak samen met Tonny Eyk. Met hem schreef hij ook teksten en liedjes voor evenementen, zoals jubilea van bedrijven, speeches voor directeuren enz.

Buiten de publieke omroep werkte Hans Peters ook voor het productiebedrijf van Joop van den Ende. Zo schreef hij bv. veel teksten voor revues van André van Duin en begeleidde hij jarenlang Ron Brandsteder bij Ron’s Honeymoon Quiz (VARA, later RTL4). Hij heeft ook het lied Engelen bestaan niet geschreven, waarmee elk bruidspaar werd geïntroduceerd. Bij dit programma werkte hij samen met regisseur Guus Verstraete. Ook schreef hij teksten voor programma’s van tv-producent John de Mol: Love letters, Traumhochzeit en All you need is love.
Hans Peters deed voor veel shows de audities en repeteerde ook met de kandidaten.

Er zijn duizenden mensen die bij hem hebben geauditeerd, ook voor kinderprogramma’s als Kinderen voor Kinderen. Hierbij was Peters vanaf 1987 als producer betrokken: hij deed de productie van de liedjes en de plaat, Bob Rooyens deed de tv-regie. Hij was al betrokken geweest bij het op touw zetten van de eerste Kinderen voor Kinderen en schreef vanaf dat jaar (1980) veel liedteksten voor het programma (soms onder pseudoniem, bv. ‘Flip Peters’), zoals Beugelbekkie, pestbril, waarvoor hij ook de muziek schreef. Hij zei hierover (in het boek Kinderen voor Kinderen – het verhaal van een succes): ‘In het begin schreef ik zelf ook de muziek, maar later niet meer. Als ’t door een arrangeur flink werd opgewerkt, klonk het nog wel aardig, maar ik ben geen sterk componist.’ In 1988 won Kinderen voor Kinderen-8 de Bronzen Roos bij het internationale tv-festival in Montreux. (Harry Bannink, met wie Hans Peters ook heeft samengewerkt, schreef overigens in 1983 het lied Bejaarden voor bejaarden, voor het satirische NCRV-tv-programma Farce Majeure.)

Sefira Peters: ‘Hans had groot talent voor het omgaan met kinderen. Dit programma, de audities met de kinderen, de begeleiding enz. deed hij met veel liefde.’
Hans Peters was in staat in korte tijd een tekst te schrijven. Karin Meurs, die lang met hem heeft samengewerkt bij veel programma’s: ‘Als er bijvoorbeeld voor een muziekprogramma met Simone Kleinsma snel nog een nummer nodig was en de melodie werd aangereikt schreef Hans in een mum van tijd een prima bruikbare tekst.’

Circus
Hans Peters bezat een bijzondere voorliefde voor en kennis van het circus en het variété. Al op jonge leeftijd bezocht hij veel voorstellingen, en in 1965 debuteerde hij in de rol van spreekstalmeester bij Circus Sarrasani. Tussen 1971 en 1981 vervulde hij die rol in het Kerstcircus in Eindhoven.

Vele jaren heeft hij het tv-producersvak met zijn ‘tweede werkkring’ kunnen combineren. Zomers was het bij de VARA toch altijd rustiger, dus was er ruimte voor andere activiteiten. In 1977 had Peters een groot aandeel in het eenmalige circusprogramma Morgenrood dat de VARA rechtstreeks uitzond vanuit haar Studio in Hilversum, ter gelegenheid van haar 50-jarig bestaan.
Zijn zoons Marco en Philip namen de liefde voor het circusvak over en hadden onder de naam The Peters Brothers als speciaal nummer het ‘Rad des doods’. Peters schreef ook het Circus Herman Renz-lied [correctie: Gustav Peter is de componist, red.].
In veel VARA-spelprogramma’s liet hij circusacts zien. In 1975 maakte Peters met Jan Vrijman en Mat van Hensbergen de tv-documentaire Circusmensen. Zonder Peters’ connecties in de circuswereld was dit project niet gerealiseerd. Voor de Nederlandse productie van de musical Barnum (1988), over de 19e-eeuwse Amerikaanse showman en circusuitbater, vertaalde hij samen met Hugo Heinen de spreek- en liedteksten.
Hans Peters overleed 21 juni op 84-jarige leeftijd.

Jan Jaap Kassies

Bronnen: o.a. P.H. Honig – Acteurs- en kleinkunstenaarslexicon, Beeldengeluidwiki.nl
Met veel dank aan Sefira Peters en Karin Meurs.

Een concert van 100 tikkende klokjes

In september 1963 vonden bijzondere televisieopnamen plaats van een muzikale wereldpremière in het Raadhuis van Hilversum. Hans van den Berg, coördinator toegang collecties bij Beeld en Geluid, kreeg een verslag in geuren en kleuren van zijn vader.

Mijn vader was in de jaren ’60 van de vorige eeuw werkzaam bij de afdeling interne zaken van de Gemeente Hilversum, die onder andere verantwoordelijk was voor evenementen in het Raadhuis. Over deze evenementen waren veel verhalen te vertellen, maar er was er één die vaak terugkwam: het concert voor 100 metronomen. Hij vertelde het verhaal tot in detail, de tranen van het lachen rolden iedere keer over zijn wangen. Dit is wat er gebeurde.
Op vrijdagavond 13 september 1963 verzamelen de “upperclass” van Hilversum en een aantal buitenlandse gasten zich in het Raadhuis voor het slotconcert van de door de stichting Gaudeamus jaarlijks georganiseerde muziekweek. Het was een studieweek voor moderne muziek met uitvoeringen in Bilthoven, Utrecht en Hilversum. Het stuk Poème Symphonique for 100 metronomes van de Hongaarse componist György Ligeti beleeft deze avond zijn wereldpremière. Het idee was dat de registratie een dag later op TV zou worden uitgezonden. Meerdere camera’s zijn opgesteld om de musici en de reactie van het publiek in beeld te brengen.

Ligeti laat 100 metronomen uit Oostenrijk overkomen, die hij op die middag zelf uitpakt. Hij verwijdert de plakbandjes van de opwindsleuteltjes, die op de bodem van de metronomen liggen. Hij zweet hevig en hij heeft amper tijd meer om zich om te kleden. Zijn door de gemeente gehuurde rokkostuum is twee maten te groot, maar alle ingrediënten voor een bijzondere avond zijn aanwezig. Tijdens het concert wordt hij geassisteerd door tien spelers of, zoals hij ze noemt, “collegen”. Ligeti zelf dirigeert het stuk. Ook burgemeester Joost Boot is aanwezig. Hij is van tevoren gewaarschuwd door een ambtenaar van de afdeling cultuur die zich in een nota aan B&W afvroeg of de heren zich bewust waren van “een bijzonder vreemd muzikaal evenement”. De ambtenaar adviseert: “Het lijkt mij goed dat de burgemeester tijdens het woord van welkom een soort verantwoording aflegt”. Of burgemeester Boot dat inderdaad heeft gedaan is niet meer te achterhalen. De bewaarde televisieregistratie bevat alleen het concert en het slotwoord van de componist.

Een kakofonie van tikken
Nadat iedereen heeft plaatsgenomen in de burgerzaal van het Hilversumse Raadhuis, duurt het een tijdje voordat er ook maar iets gebeurt. De mensen kijken tegen een opstelling van zwijgende metronomen aan. Er ontstaat een giechelige sfeer van ongeloof. Dan betreden de “collegen”, acht mannen en twee vrouwen, het podium en stellen zich op naast de hen toegewezen metronomen. Ze zien er op en top uit, de heren in rokkostuum, de dames in zwarte jurken. Dirigent Ligeti komt als laatste op en staat een aantal seconden roerloos voor zijn orkest. Hierna heft hij zijn handen en geeft hij het teken dat de spelers zich een kwartslag moeten draaien. Daarna geeft hij het begin aan, de spelers draaien de metronomen op, die allemaal op een verschillende snelheid zijn ingesteld, tussen de 50 en 144 slagen per minuut.

De metronomen worden aangezet

Als alle metronomen zijn opgewonden, draaien de spelers zich naar de dirigent. Het orkest en de dirigent staan ruim een minuut in volkomen stilte. Daarna begint het publiek te hoesten en rumoerig met elkaar te praten. De burgemeester maant de mensen tot stilte. Dan geeft Ligeti weer een teken voor een kwartslag, geeft de opmaat en de spelers beginnen de hen toegewezen metronomen aan te zetten. Een kakofonie van tikken vult de ruimte. Nadat alle metronomen spelen, worden de “collegen” naar de zijkant verwezen. Ligeti gaat ook weg. Wat overblijft is een explosie aan metronoom tikken. Eén voor één zwijgen daarna de metronomen en na 10 minuten is er nog 1 te horen die zwaar en langzaam zijn tikken de zaal instuurt.

Rumoer in het publiek, een “farce”
Het publiek is intussen rumoerig en verdeeld in verontwaardigde en enthousiaste toehoorders. Na het uitsterven van de laatste tik, neemt Ligeti het woord en beschrijft in een hilarische toespraak de wijze waarop dit concert uitgevoerd dient te worden. Na afloop verzoekt het geschokte gemeentebestuur aan de omroep om de uitzending niet te laten doorgaan. De plaatselijke krant De Gooi- en Eemlander schrijft in een recensie: “De farce Poème Symphonique voor 100 metronomen van György Ligiti (sic) uit Wenen had beter achterwege kunnen blijven en in een studentikoos milieu gedebuteerd. Veertig jaar geleden hoorden we een sonate voor schrijfmachines, die tenminste geestig was.”

De context: Fluxus
Van de toiletpot van Marcel Duchamp tot aan de performances van Marina Abramovic: avant-gardistische kunst zorgde in de 20e eeuw voor een hoop opschudding. Ook Hilversum bleef dus niet gespaard. Ligeti is gelieerd aan de kunststroming Fluxus, die elitaire kunst uit wilde bannen. Een andere bekende Fluxus-performance in Nederland was die van Wim T. Schippers, die in 1961 voor de camera’s van de aanwezige pers een flesje Green Spot-limonade leeggoot in de zee bij Petten. Intussen wordt Ligeti, die in 2006 overleed, beschouwd als een van de grootste hedendaagse componisten. Zijn muziek werd gebruikt voor de films The Shining en 2001: A Space Odyssey, van Stanley Kubrick. Dit jaar werd er in april in Amsterdam een festival aan hem gewijd.

György Ligeti spreekt het publiek toe

De registratie
In februari kwam bij Beeld en Geluid een vraag binnen van de organisatie van het Ligeti-festival naar beelden van het nooit uitgezonden concert, als die al zouden bestaan. In mijn hoofd ging een luik op een kiertje, ik had het concert, waar mijn vader zo vaak over vertelde, een keer gezien. Of had ik verzonnen dat ik het had gezien? In de catalogus was zo op het eerste oog niets terug te vinden. Niet op trefwoorden, ook niet op de datum van uitvoering. Na lang zoeken gaf ik het bijna op, totdat het luik echt openging en ik aan “Gaudeamus” dacht als zoekingang, de organisator van het concert. Wat tevoorschijn kwam is een prachtige registratie van het volledige concert met uitleg van maestro Ligeti als toegift.

Hans van den Berg

Muzikaal omroeperfgoed digitaal ontsloten

Begin juli is in het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum het startschot gegeven voor het project Digitalisering Bladmuziekcollectie Stichting Omroep Muziek. Het doel hiervan is het catalogiseren, digitaliseren en online beschikbaar stellen van een belangrijk deel van de omroepmuziekcollectie (de collectie bladmuziek die tot de sluiting in 2013 werd beheerd door de Muziekbibliotheek van de Omroep).
Met subsidie van het ministerie van OCW en een bijdrage van de gemeente Hilversum is het mogelijk een groot aantal stukken te digitaliseren die speciaal voor radio en televisie zijn geschreven. Het betreft voornamelijk handgeschreven ‘arrangementen’ en originele composities die tussen ca. 1930 en 1980 in opdracht van de omroepverenigingen zijn vervaardigd voor gebruik in een radio- of tv-programma. In samenwerking met de gemeente Hilversum zijn medewerkers geworven die het project logistiek ondersteunen.

aether_125_foto_artikel_omroepcollectie
Alle omroepen hadden vanaf hun ontstaan (AVRO, VARA, KRO en NCRV werden bv. kort na elkaar opgericht in de tweede helft van de jaren 1920) veel ensembles in dienst, die voor al hun uitzendingen ‘nieuwe noten’ nodig hadden. Sommige orkesten waren lange tijd actief (The Ramblers, De Zaaiers, The Skymasters bv.), andere slechts kort. Vooral in de jaren 1930-1960 waren velen actief in deze branche; sommige namen leven nog voort (denk bv. aan Rogier van Otterloo, Eddy Christiani, Malando, Klaas van Beeck, Johnny Holshuijsen (John Woodhouse) enz.), talloze anderen zijn vergeten.
In deze periode waren vele belangrijke musici, componisten en arrangeurs werkzaam in de ‘omroepmuziekwereld’: vooral in de zogenoemde ‘radiojaren’ 1945-1965 vulden hun live gespeelde of opgenomen werken duizenden uitzenduren. Er werd muziek geschreven voor hoorspelen, herkenningsmelodieën (tunes) van ensembles en programma’s, tv-series, concertopnamen met o.a. vocale solisten enz. Voor laatstgenoemde categorie werden veelal titels uit het ‘American Songbook’-repertoire (Gershwin, Porter, Berlin e.d.) voorzien van een instrumentale begeleiding die was toegesneden op het ensemble dat de zanger(s) zou begeleiden. ‘Arrangementen’ (een jargonterm) zijn composities/bewerkingen die speciaal zijn gemaakt voor specifieke bezettingen.

Aangezien deze werken niet zijn gepubliceerd gaat het om uniek erfgoed.

Het project maakt bladmuziek toegankelijk die gerelateerd is aan de geschiedenis van de Nederlandse omroep. Hierdoor zullen veel ‘vergeten’ namen weer uit de schaduw komen. Om het materiaal meer context te verlenen wordt samenwerking gezocht met o.a. het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Uiteraard is een groot aantal opnamen van de muziek uit het omroepverleden daar in het archief te vinden. Ook met andere muziek- en erfgoedinstellingen wordt contact gelegd.

Weinig bekend is dat ook ‘klassieke’ componisten voor ‘Hilversum’ hebben geschreven. Zo was Jurriaan Andriessen actief op diverse terreinen: hij schreef zowel hoorspelmuziek, symfonisch werk als vocale muziek als jazzmuziek (onder de naam ‘Lesley Cool’) voor verschillende combobezettingen. Ook Oscar van Hemel, Hugo Godron, Meindert Boekel en Herman Strategier e.a. schreven voor radio-uitzendingen. Aangezien deze werken niet zijn gepubliceerd gaat het om uniek erfgoed. Dit geldt ook voor het ‘vroege werk’ van later bekend geworden musici-componisten in het domein van de jazz, zoals Theo Loevendie, Otto Ketting en Misha Mengelberg.

De website www.muziekschatten.nl, waarop al veel bladmuziek uit de omroepmuziekcollectie te vinden is, zal worden geïntegreerd in de nieuwe projectwebsite die in aanbouw is. De twee curatoren van genoemde site, Eric van Balkum en de schrijver van dit artikel, zijn toegetreden tot het projectteam dat afgelopen zomer onder leiding van Marjon van Schendel van start is gegaan.
Vanaf begin 2018 zullen de eerste resultaten op de website zichtbaar zijn. In 2018 en 2019 zal het gedigitaliseerde aanbod verder groeien. Dan zullen musici, historici en andere onderzoekers in staat zijn het beschikbaar gekomen materiaal uit te voeren en te bestuderen.

Jan Jaap Kassies

Aether Live: een verdieping op de papieren verhalen

Jan Jaap Kassies, Peter Schavemaker en Grietje Hoogland stonden dit voorjaar aan de wieg van een nieuwe traditie: Aether is niet langer alleen een blad, je kunt er ook naartoe. Op zondag 23 april vond de eerste editie van Aether Live plaats in het gebouw van Beeld en Geluid in Hilversum.

Beeld en Geluid organiseert sinds het begin van dit jaar op de zondagen speciale activiteiten, zoals colleges, lezingen en filmvertoningen. Elk kwartaal, kort na het verschijnen van de nieuwe editie van Aether, is in dit kader ‘onze’ special: Aether Live. Auteurs lichten onderwerpen uit het blad nader toe, met behulp van archiefmateriaal uit de collecties van Beeld en Geluid.


Aether-redacteur Jan Jaap Kassies trapte de eerste Aether Live af met een virtuele rondleiding langs de schatten van de Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep. Zo bevindt zich tussen de vijf kilometer bladmuziek in de kelders van het MCO-gebouw (vroeger het VARA-gebouw) aan de Hilversumse Heuvellaan de partituur van een musical, geschreven door Toon Hermans. Het is maar één van de vele unieke stukken in de MCO-collectie, die Kassies als oud-medewerker van de Muziekbibliotheek als geen ander kent. De Muziekbibliotheek werd in 2013 als gevolg van een ingrijpende bezuiniging gesloten. Inmiddels heeft de overheid ruim een miljoen euro uitgetrokken om de verzameling een nieuwe toekomst te geven. Een deel van de bladmuziek was al gedigitaliseerd (te vinden op www.muziekschatten.nl).

Kassies lardeerde zijn rondgang langs de bijzondere werken met oude opnamen uit het archief van Beeld en Geluid van de betrokken musici. Ook stond hij stil bij het project dat hij enige tijd geleden deed in samenwerking met Vrije Geluiden van de VPRO: een aantal unieke werken, waaronder een pianotrio van Hans Henkemans, opnieuw uitgevoerd door onder andere oud-MCO-musici. Kassies’ lezing is hieronder te beluisteren (excuses voor de inferieure geluidskwaliteit).

100 jaar Mediastad
In 1918 werd in Hilversum de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek gevestigd, volgend jaar een eeuw geleden dus. Mediajournalist Peter Schavemaker gaf tijdens de bijeenkomst een voorproefje van zijn nieuwe boek 100 Jaar Hilversum Mediastad. De komst van de NSF leidde tot de oprichting van de publieke omroepen. In zijn boek, dat eind oktober moet verschijnen, belicht Schavemaker de geschiedenis van de Mediastad. Compleet met interviews met levende legenden uit de omroepwereld, onder wie Koos Postema en John de Mol jr.

Schavemaker werkt al jaren ook zelf voor verscheidene omroepen en heeft dus een flink deel van die honderdjarige geschiedenis van nabij meegemaakt. Hij kent de wereld die hij beschrijft van binnenuit. Zijn nieuwe boek 100 Jaar Hilversum Mediastad is thematisch van opzet. Hierdoor is het geen droge opsomming van feiten en weetjes in chronologische volgorde, maar schetst het een beeld van de veelzijdige omroephistorie. Schavemakers heeft daarvoor ongeveer zestig mensen geïnterviewd, die een rol spelen of speelden in die honderd jaar.


Verbinden
Cultuurwetenschapper Grietje Hoogland dook in het succes van The Passion. Ze maakte onder meer een analyse van de tweets die rond het programma zijn verstuurd. De opvoering van het verhaal van de lijdensweg van Jezus blijkt weinig evangeliserende waarde te hebben, hoewel verspreiding van het geloof wel een doelstelling van de makers is. Slechts één tweet geeft aan dat een niet-gelovige zich verder in het verhaal wil verdiepen. Andere tweets die over het geloof gaan, komen van mensen die al kerkelijk waren.

Toch keken er ook dit jaar weer 3 miljoen mensen naar The Passion. Uit de tweets van eerdere edities, die Hoogland bekeek, blijkt dat veel televisiekijkers en toeschouwers langs de kruisroute even willen laten weten dat ze het hebben gezien of dat ze erbij zijn geweest. Over de keuze van de liedjes en de artiesten die het verhaal vertellen en uitbeelden, wordt verschillend geoordeeld.

Wat The Passion een succes maakt (althans in kijkcijfers gemeten) is volgens Hoogland het vrij sobere beeld als het gaat om het aantal personages, hun aankleding en de decors, elk jaar in een andere stad. Het programma wordt daardoor geen spektakelstuk. Verder vinden veel mensen het aantrekkelijk als er een duidelijk verband wordt gelegd met de actualiteit, zoals een aanslag of de vluchtelingenproblematiek. Hoewel evangelisatie dus niet erg slaagt, lukt het The Passion wel om mensen met elkaar en de stad van handeling te verbinden.

De volgende Aether Live-bijeenkomst is op 9 juli in het Instituut voor Beeld en Geluid